Column

Pensionada

Haar dag. Prinses Beatrix zat gisterochtend thuis op kasteel Drakesteyn, voor de televisie. De standaard in top, de zon door het jonge beukengroen. Tegenover restaurant De Lage Vuursche werd even voor half twaalf de vlag gehesen. Daarna speelde de fanfare het Wilhelmus en het dorp zong mee. Het gebroken koper moet het raam van haar zitkamer gemakkelijk gehaald hebben.

„Dapper hoe ze het allemaal draagt”, zegt Tjark Boot, vriend van de prinses, even later op het terras. Hij doelt op haar afwezigheid tijdens Koningsdag in Dordrecht, de eenzaamheid. Hij knikt naar het graf van Friso, op het kerkhof naast de zojuist gehesen vlag. Hem heeft hij ook goed gekend.

Boot heeft de prinses vorige week nog gesproken op een jachtpartij op Soestdijk. Op de vraag of ze er graag bij was geweest in Dordrecht, antwoordt hij: „Ze is een pensionada.” Ze is, zeggen andere vrienden die ik bel, juist „gelukkig” dat ze niet meer hoeft mee te lopen.

Af en toe komt ze bij boekhandel Den Boer in Baarn. Ze heeft pas geleden gegeten bij bistro Boschoord in Hollandsche Rading. En Willem van Oosterom, eigenaar van restaurant De Lage Vuursche, ziet haar wel eens door het dorp rijden, omringd door beveiligers in burger.

„Ze is er wel”, zegt hij, maar niet zo aanwezig als vroeger. Toen fietste ze met de jongens door het dorp. En nog vroeger, eind jaren zestig, mocht de jonge Van Oosterom met alle kinderen uit het dorp voor Kerstmis bij Beatrix en Claus op het paleis komen. „Dan las ze een kerstverhaal voor. We zongen liedjes in de stal en kregen chocolademelk.”

„Het gaat goed met haar”, zegt Huub Oosterhuis, vriend van Claus, „al is het niet gemakkelijk, vertelde Constantijn me laatst.” Elke maandagochtend overlegt ze op de secretarie van paleis Noordeinde met Willem-Alexander en Máxima over de taken. Een persoonlijk assistent helpt haar daarbij en een voormalige hofdame chaperonneert haar bij werkbezoeken en officiële visites. Ze bezoekt Mabel en haar gezin nog steeds bijna elk weekend. De voormalige hofdame vergezelt haar vaak.

„Ze draagt het verdriet over Friso met zich mee”, zegt een oude vriend. Ze verkeert graag in de buurt van zijn graf. „Maar ze is niet iemand om dat uit te vergroten.” Een realo noemt hij haar. Ze tuiniert, trekt onkruid uit de perken om haar huis en onderhoudt in een moeite door het graf van haar zoon. Het is een beeldschoon rustbed, waarin op deze voorjaarsdag witte lenteklokjes bloeien en gipskruid.

Prinses Beatrix is weer met beeldhouwen begonnen. Bustes. Oosterhuis: „Toen Friso stierf, zei ik: ‘Nu een beeld van Friso.’ ‘Dat duurt nog wel even’, antwoordde ze toen.”

Ze is er intussen misschien wel aan toe, zeggen haar vrienden. Toen ik Friso acht jaar geleden in Londen interviewde, liet hij me een beeld zien dat zijn moeder van hem als peuter had gemaakt. Het stelde een jongetje voor dat zijn hoofd omgekeerd op de grond had gelegd. Hij klaagde wel eens, vertelde hij, dat hij zijn hoofd te zwaar vond. Beatrix goot dat beeld in brons.

„Nooit alleen maar toch eenzaam”, dicht Huub Oosterhuis over haar abdicatie in Afscheid van een koningin. Hoe ervaart ze de stilte na een leven met een volk dat ze maar moeilijk kon doorgronden? „Ze is er niet rouwig om dat ze niet langer in the picture is”, zegt de oude vriend. „Ze zal de laatste zijn die dat jammer vindt.”