Ook niet-hoogleraren moeten promotor kunnen zijn

In het buitenland kunnen ervaren onderzoekers allang promoties begeleiden, schrijven vier auteurs van De Jonge Akademie.

In het licht van de studenten- en docentenbeweging ‘De Nieuwe Universiteit’ willen we pleiten voor uitbreiding van het promotierecht tot een bredere groep senior onderzoekers. Nu hebben alleen hoogleraren het recht om een wetenschapper tot ‘doctor’ te promoveren. Al in 2008 schreef toenmalig minister van Onderwijs, Ronald Plasterk, in een brief aan de Kamer dat ook wetenschappers die een grote beurs bij NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) in de wacht hadden gesleept en een eigen onderzoeksgroep leidden, het promotierecht moesten krijgen. Hij wilde zo ‘meer dynamiek en vernieuwing in de hiërarchische structuur van de universiteiten’ brengen.

Sinds haar oprichting in 2005 spant ook De Jonge Akademie zich daarvoor in. Ten eerste houdt Nederland de deur zo open voor talent uit het buitenland. In veel Europese landen, waaronder België, Engeland en Duitsland, is het promotierecht niet voorbehouden aan hoogleraren. Zolang het stelsel niet wordt aangepast, blijft het voor buitenlandse onderzoekers minder aantrekkelijk om in Nederland te komen werken. Ten tweede versterkt het de positie van Nederlandse onderzoekers: het aantal promoties dat je begeleidt, weegt zwaar mee bij de beoordeling van onderzoeksaanvragen. Ten derde kan het kleine vakgebieden helpen groeien. Vakgebieden waar geen hoogleraar in opereert, kunnen dan toch promoties genereren. Het leeuwendeel van de begeleiding en het verwerven van grote subsidies voor promovendi wordt vaak door anderen dan de hoogleraar gedaan. Waarom dragen die anderen dan geen eindverantwoordelijkheid?

Promovendi kunnen vaak afhankelijk zijn van een hoogleraar die ver van hun onderzoek af staat. Het aantal promovendi is bovendien sterk toegenomen, terwijl het aantal hoogleraren gelijk bleef.

Jonge Akademielid Ingrid Robeyns schreef al dat men eisen kan stellen aan het promotorschap zoals minimaal twee keer copromotor of commissielid zijn geweest. Een facultaire doctoraatscommissie kan zowel de aanstelling van de promotor als van eventuele copromotoren goedkeuren. Er is altijd een commissie die uiteindelijk de kwaliteit toetst.

De recente Wetenschapvisie 2025 van eind 2014 wil dat Colleges van Bestuur van universiteiten het wettelijk recht krijgen om desgewenst het promotierecht toe te kennen aan universitair hoofddocenten: ‘Dit sluit aan bij wat in andere landen al vaker gebruikelijk is en bijvoorbeeld in Duitsland goed werkt. Het draagt daarmee bij aan een aantrekkelijk werkklimaat voor buitenlandse onderzoekers, aan meer en meer diverse carrièremogelijkheden en aan voldoende begeleiding voor promovendi.’ Wij roepen de Colleges van Bestuur van de Nederlandse universiteiten op om aan de Wetenschapsvisie 2025 gehoor te geven.