‘Niemand komt mijn oom redden’

De bouwvoorschriften werden afgekocht, en nu konden veel wankele hotels de beving niet aan.

In Kathmandu slaapt de bevolking onder de blote hemel, uit angst voor vallend puin en naschokken. Foto Adnan Abidi/Reuters

Sumi Sharma (16) staat met haar armen over elkaar naast een enorme hoop bakstenen, brokken beton en verwrongen metaal. Er bovenop helt een gebouw van drie verdiepingen voorover. Het heeft zich in zijn val in de voorgevel van een appartementencomplex geboord.

„Dit is het hotel van mijn vader”, zegt Sumi. „Het had zes verdiepingen.” Toen de beving begon, moest ze vanaf de vijfde etage met haar moeder en zusjes zien weg te komen. „Alles draaide, het was of we in een pretparkattractie zaten. Op de derde verdieping zijn we uit het raam gesprongen.” Het was een sprongetje van niks: de onderste verdiepingen van het hotelletje zijn verkruimeld. De zware aardbeving van 7.9 op de schaal van Richter vond plaats op vrijdagochtend rond half twaalf. De meeste gasten waren Nepalese zakenmensen en buiten het hotel aan het werk. „Ik denk dat er tien tot twaalf gasten binnen waren. Ze liggen allemaal onder de stenen”. Sumi kijkt naar het puin. „Mijn oom ook. We denken dat hij nog leeft.”

Op het eerste gezicht valt de schade in Kathmandu mee. Veel gebouwen staan nog overeind, al is het vaak met scheuren in de gevel. Maar achter de eerste rij gebouwen”, waar de huizen dicht op elkaar stonden, is het een ravage. „De mensen hebben zich niet aan de veiligheidsvoorschriften gehouden”, zegt Durga Pudasainee, twintiger en toeristengids. In Nepal is het toerisme een belangrijke bron van inkomsten, dus: „Zet een paar verdiepingen op je huis, betaal smeergeld aan de controleurs van de overheid, en je kunt een hotel beginnen.” Veel van zulke kleine hotels konden de zware beving niet aan. Durga laat zien waar hij in zijn straat een guest house van vijf verdiepingen in elkaar zag storten. „Ik heb een vrouw kunnen redden door een raam in te trappen waarachter ze gevangen zat. Aan de achterkant van het hotel liggen drie lichamen. Een is doormidden gescheurd.” Ze liggen er nog. De geur is misselijkmakend.

Dik marmer

„Mijn oom zat achter de receptie. De balie is van dik marmer”, zegt Sumi Sharma. „Misschien is hij er op tijd onder gedoken.” Gisteren kroop haar broer de puinhopen in. „Hij hoorde ‘uh-uh’, van iemand die zich probeerde los te worstelen. Dat is mijn oom, we weten het zeker.”

Sumi riep de hulp in van een Nepalees en een Chinees reddingsteam. „Ze kwamen kijken, ze hoorden ons aan, maakten aantekeningen. En vertrokken weer. En ze kwamen niet terug.”

Het Nepalese team blijkt vlakbij aan het werk te zijn. Aan de voorkant van een gebouw geven militairen brokken puin aan elkaar door. Aan de achterkant van het pand is het gehuil van een aantal kinderen gehoord. Twee reddingswerkers halen omzichtig stenen weg. Met een stok schuiven ze langzaam brokstukken opzij om een kijkgat te maken. Aan het einde van de dag zijn ze nog steeds bezig.

Iets verderop werkt het Chinese team. Er is een satellietschotel opgesteld en er staat een graafmachine klaar. De reddingswerkers, in rode pakken met ‘China Rescue’ op de rug, klauteren over een metershoge berg puin naar de resten van een appartementencomplex. Vermoed wordt dat er binnen nog zeker zes mensen in leven zijn.

De reddingsoperaties voltrekken zich op een steenworp afstand van Sumi’s in het puin begraven oom. „Niemand komt hem redden”, zegt ze nu. Voor het eerst in ons gesprek lijkt ze haar vastberadenheid te verliezen. Ze kijkt naar de grond en ze zucht. Ze beseft dat de reddingsteams voor dramatische keuzes staan. Ze gaan aan het werk op plekken waar ze meer mensen kunnen redden dan alleen die ene man, haar oom.