Ik neem afscheid van mogelijke levens

nrc.next interviewt zeven weldoeners. Dichter Jannah Loontjens zit in de Poule des Doods. Ze draagt gedichten voor bij eenzame uitvaarten.

Foto Lars van den Brink

Hij werd gevonden met zijn hoofd half in het water. M.B., geboren op 6 april 1981 in Riga, Letland, verdronk op 14 december 2011 in een Amsterdamse gracht. Hij leed aan epilepsie. Op een stormachtige donderdagochtend in januari werd hij begraven op begraafplaats Sint Barbara in Amsterdam. Zijn familie in Letland werd getraceerd, de ambassade sprak met zijn vader. Niemand kon naar de uitvaart komen vanwege geldgebrek.

In Amsterdam zijn jaarlijks zo’n vijftien uitvaarten zonder nabestaanden. Van zwervers, junks of illegalen. Van slachtoffers van onduidelijke misdrijven of een enkele zelfmoordenaar. Is er geen geld of uitvaartverzekering, dan verzorgt en betaalt de gemeente de ceremonie. Drie muziekstukken, vier dragers. Bloemen met een lint, maar zonder tekst. Sinds 2002 is ook een dichter van de Poule des Doods aanwezig om een gedicht voor te dragen. Het project, de Eenzame Uitvaart, is een initiatief van voormalig stadsdichter F. Starik.

Jannah Loontjens (41) is zo’n dichter. Een keer of acht, negen – ze heeft het niet precies bijgehouden – was ze aanwezig bij een eenzame uitvaart in haar woonplaats Amsterdam.

Loontjens is naast dichter ook filosoof en schrijver. Ze debuteerde in 2002 met een dichtbundel, schreef een essaybundel en drie romans, waarvan de meest recente Misschien wel niet. Op dit moment werkt ze aan een nieuwe roman en een reeks essays over het gedachtegoed van de jaren negentig. Drie dagen per week verblijft ze als writer in residence in het NIAS, een onderzoeksinstituut in de Wassenaarse duinen.

In haar werkkamer is het zo stil dat je de vogels kunt horen fluiten. „Eigenlijk is het wel bijzonder dat we nu praten over dit onderwerp”, zegt Loontjens. „De eerste zin van mijn laatste roman luidt namelijk: ‘Er zijn al best veel mensen dood’.” Denkt ze vaak na over de dood? „Ja”, zegt Loontjens. „Maar ik weet niet wat het ís. We willen de dood het liefst zien als de afronding van een leven. Dat is eigenlijk waar ik het meest over nadenk: wat betekent dat einde? Wat betekent het voor hoe we in het leven staan?” Het werk van de Eenzame Uitvaart sluit volgens haar aan bij wat je in essentie doet als schrijver. „Je creëert personages, denkt na over mogelijke levens. Het is een mogelijk leven dat je je voorstelt. Een mogelijk leven waarvan je afscheid neemt.”

In de bibliotheek van het NIAS staat een exemplaar van de dichtbundel Dat ben jij toch, waarin Loontjens het gedicht van de eenzame uitvaart voor de jonge man uit Letland opnam.

Aan M. B.

Je woonde hier een jaar of twee, leerde enkele woorden,

stel ik me voor. Hallo. Alsjeblieft. Misschien ik houd van jou.

Misschien geleerd van een vrouw die je amper kende,

die Letland googelde, om te begrijpen waarover je sprak.

 

Je was dertig. Je zou vertrekken. Je had plannen zo hoog

als de lucht, stel ik me voor. Zodra er geld zou zijn.

Misschien verder. Amerika, Japan, Nieuw-Zeeland of

terug naar je geboortegrond, daar waar de mensen

je kenden ook zonder je te kennen.

 

Struikelen we niet allemaal? Dag in dag uit. Over plinten.

Over zorgen en over niets. Over zenuwen en rommel.

Je duikelde de kade af. Het water verkende moeiteloos

de luchtwegen. Je dromen droomden misschien nog een half uur.

Een half uur meer of minder. Ik weet er niets van.

Ik probeer aan je te denken onbekende jongeman.

Al is het te laat en in een taal die jij slecht verstaat.

Hoe ga je te werk bij het schrijven van zo’n gedicht?

„Via de gemeente krijg ik een aantal gegevens. Vaak maar heel weinig. Hoe iemands huis eruitzag, bijvoorbeeld. Of het heel netjes was, of juist een bende. Of er boeken stonden of niet. Op basis van dat beetje informatie probeer ik een beeld te vormen van een persoon. Als het kan fiets ik langs, probeer ik door de ramen naar binnen te kijken. Soms blijkt iemand bij me om de hoek te wonen. Dan denk ik: misschien heb ik wel achter deze mevrouw in de rij gestaan in de supermarkt, zijn we ooit langs elkaar heengelopen. Dat vormt dan een uitgangspunt voor het gedicht.”

Is het niet vreemd om te spreken op een ceremonie waar niemand is?

„Meestal is Frank Starik aanwezig en zijn er dragers. Maar ik ben ook een keer bij een crematie geweest, toen was er echt niemand – alleen een ceremoniemeester die helemaal niet begreep wat ik kwam doen. Dat was vrij absurd, ja. Ik ben dan wel in mijn eentje zonder publiek, ik leef me op zo’n moment altijd in. Het is een echt afscheid, ook al weet ik niet van wie.”

In het voorjaar van 2013 scheef Loontjens een gedicht voor een romp. Verpakt in een blauwe plastic zak werd het lichaamsdeel als ‘verdacht pakketje’ een paar weken eerder uit het IJ gevist. „Dat vond ik een raar besef. Dat je iemand gaat begraven, maar het is eigenlijk maar een deel van die persoon. Hoeveel kun je van jezelf kwijtraken en toch nog jezelf zijn?” Ze schreef: ‘Het hoofd. Dat ben jij. En je hart. We doen ons best. We denken je hoofd erbij.’ „Ik heb geprobeerd om dat wat er was te eren. Ook hij is een mens geweest. Iemand die heeft gelachen, gehuild, gehuppeld, verstoppertje gespeeld als kind, gekaart in de kroeg, weet ik veel.”

Raak je weleens geëmotioneerd?

„Ik raak weleens een beetje geëmotioneerd. Maar ik heb nog nooit zitten huilen. Mijn gemoed staat wel stil bij de persoon die is overleden. Al die mogelijke dingen die niet meer kunnen, die veroorzaken vaak het grootste gevoel van rouw. Het is ergens ook de weggenomen toekomst waarvan je afscheid neemt. Vooral bij jonge mensen, zoals die man uit Letland.”

Zijn de gedichten die je schrijft voor de Eenzame Uitvaart anders dan je gewone poëzie?

„Als ik gewoon poëzie schrijf, kan de associatie tijdens het schrijven soms de overhand krijgen. Hier laat ik dat niet gebeuren. Ik zou een heel abstract gedicht kunnen schrijven, maar dat vind ik niet respectvol naar de overledene toe. Omdat ik zo weinig van iemand weet, wil ik iemand niet iets toedichten – letterlijk – dat niet bij diegene hoort. Ook heb ik niet zo lang de tijd. Normaal gesproken laat ik gedichten maanden, soms wel jaren liggen, en kijk ik er steeds even naar. Hier moet ik het binnen drie dagen doen.”

Dreigt het na zoveel uitvaarten geen routine te worden?

„Nee, het wordt elke keer een heel ander gedicht. Ook al is de dood iets universeels, het kán niet hetzelfde zijn, omdat je steeds afscheid neemt van een ander leven. Het is een eerbetoon. In zekere zin sterven we allemaal alleen. In hoeverre de mensen die eenzaam sterven een slecht of een goed leven hebben gehad, dat weten we eigenlijk niet. We weten alleen dat hun einde eenzaam was.”