Hai-hai-hai-buurt

Ik had Koningsdag nog nooit in een wat je noemt ‘betere buurt’ gevierd. Ik was aan de Van Woustraat in de Amsterdamse Pijp gewend geraakt, waar ze bij de eerste streep ochtendlicht al stonden te bakken en te braden, en waar de meeste spulletjes die ze er op de stoep verkochten vies of kapot waren. Of vies en kapot.

Bewoners en winkeliers hadden maar één doel: zoveel mogelijk geld verdienen aan de vormeloze oranje massa die door de straat trok, op weg naar plekken waar het wel feest was.

Pissen twee euro, cola vier euro.

‘Moet je hier maar niet lopen’ was er het motto en daar kon ik me met mijn aangeboren afkeer van massa’s en oranje mensen prima in vinden.

Vorig jaar verhuisden we naar een volksbuurt in Amsterdam-Oost, naar zo’n beetje de enige plaats in de hoofdstad waar ze niets vieren. Maar wel op loopafstand van de Watergraafsmeer, waar de huizen te duur en de mensen tevree zijn en waar ze elkaar allemaal kennen en aardig vinden. Ze zijn er ook allemaal begaan met alles en voor een betere en rechtvaardigere wereld, maar de Turk van de groentenjuwelier is tegelijkertijd zo’n beetje de enige buitenlander die ze spreken – al zullen ze dat, als je ze het vraagt, ontkennen. We noemden het inmiddels de ‘hai-hai-hai-buurt’, want ze hielden er van praatjes op straat.

„Welkom in columnistendorp”, zei een bevriende columnist me een keer toen ik hem er in de supermarkt trof. Hij had inmiddels al acht soortgenoten geteld in zijn buurt.

Waarom wonen zij hier en woon ik op de plek waar wij wonen, was het eerste wat ik dacht. Hij zei: „Op Koningsdag komen jullie gewoon hier!”

En daar waren we gisteren dan. De bewoners stonden er op de stoep zichzelf en elkaar te vieren.

‘Gezellig’ was het woord dat in de lucht hing. Je hoorde het de hele tijd en overal. ‘Ge-zel-lig’.

Om de tien meter stond een kind met een viool onder de kin of op een blokfluit te blazen. Een volle bak geld bij de voeten, want er passeerden genoeg aangeschoten vaders met een twee-euromunt los in de broek. Dat gebeurde in mijn vorige buurt dan toch niet, daar lieten ze zo’n kind gewoon blazen en verrekken. En in Arnhem, waar ik vandaan kom, stopten ze die in het park, zodat ze zelf zonder gejengel ergens anders bier konden drinken.

Ik dacht daar gisteren vaak aan, aan bier.