En toen begon de berg te beven, stenen kwamen al naar beneden

Katja Staartjes zat in een berghut tijdens de aardbeving. „Die plotse wind vlak daarvoor was zo vreemd, luguber zelfs.”

Ze had net op 2.400 meter hoogte een noedelsoepje besteld. De thee was er al. Toen begonnen de gekleurde boeddhistische vlaggetjes bij de berghut ineens wild heen en weer te wapperen. Een harde, onheilspellende wind uit het niets. Een paar seconden duurde het nog, voordat de berg begon te beven en Katja Staartjes de aardbeving in Nepal van zaterdag meemaakte.

Staartjes is samen met Nederlander Henk Wesselius in de Himalaya als voorbereiding op een expeditie naar de top van een van de hoogste bergen in de Himalaya, de Gurla Mandhata (7.694 meter). De hoogste, de Mount Everest, beklom ze in 1999 als eerste Nederlandse vrouw. Vanuit Kathmandu vertelt ze over een satelliettelefoon hoe de allesverwoestende aardbeving voelde.

En over de verwoesting die de beving aanrichtte in de bergen. De beving begon zaterdag om iets na 12.30 uur toen Staartjes aan haar thee wilde beginnen. „Die plotse wind vlak daarvoor was zo vreemd, luguber zelfs. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.” Als de beving begint, stort direct een muur van de berghut in. „Ik ben meteen opgesprongen en naar de uitgang gerend. Toen ik door de uitgang rende, kwamen de stenen al naar beneden.”

De stenen raken Staartjes zijdelings. Wesselius is ze enkele momenten kwijt als ze buiten staat, maar ze vindt hem aan de andere kant van de hut. De mensen van de berghut rennen via de keuken naar buiten.

Twee minuten lang trilt alles. Dan stilte. En dan begint het weer. „De tweede beving was korter, misschien een minuut”, zegt Staartjes. Ze is „verdwaasd” als het voorbij is. „We zijn even blijven staan. We hadden geen idee van de omvang van de beving. Toen we rustiger waren, zijn we vertrokken.”

‘Je vertrouwt niks meer’

Op de weg naar beneden krijgt ze een beeld van de ravage. „Eerst waren er alleen wat scheuren in de grond. Toen zagen we hutjes, in puin. Alles was verlaten.”

De inwoners van het dorpje Chipling vindt ze op een veldje naast het dorpje. „Bij de naschokken raakte iedereen weer in paniek.” Ook ’s nachts zijn er naschokken. „Sommige waren angstaanjagend, bij andere had ik het gevoel alsof ik gewiegd werd.”

De inwoners van het dorpje slapen onder een zeil, Staartjes onder een afdak van een huis. „We hielden alles aan, schoenen, kleren. Zodat we direct weg konden komen. We zijn tien keer opgestaan. Die beving gaat in je lijf zitten. Je vertrouwt niks meer.”

De naschokken houden aan. Staartjes en Wesselius willen terug naar het hotel in Kathmandu. In het dorp Chisopani, waar betere gebouwen staan dan in de bergen, staat bijna niets overeind. „Misschien kunnen we eten bij de familie waar we op bezoek zijn geweest, dachten we nog. Maar alles is ingestort. De familie is alles kwijt.”

Dan komen de eerste helikopters – de hulpverlening komt op gang.