Een land van haat en wraak

Zuid-Soedan Slecht leiderschap en corruptie hebben van het onafhankelijke Zuid-Soedan een getraumatiseerd land gemaakt dat vastzit in een spiraal van geweld. Correspondent Koert Lindijer reisde naar het dorp Pilieny, waar hij 25 jaar geleden ook was.

Onderwijzer Game Dok in het dorpje Pilieny heeft geen enkel schoolschrift voor zijn leerlingen. „Kunt u blaadjes missen uit uw opschrijfboekje”, bedelt één jochie. Zittend in het gruis van hun geplunderde basisschool pijnigen de kinderen hun hersens om alles te onthouden. ‘God schiep het paradijs’, staat op het schoolbord geschreven. „Dat was een les van vóór het uitbreken van de nieuwe oorlog in Zuid-Soedan”, lacht Game schamper, „ik heb nu geen krijtjes meer om mee te schrijven”.

Ieder teken van ontwikkeling ontbreekt in dit ruwe woongebied van de Nuer, de op een na grootste stam van Zuid-Soedan. Op de vlaktes rond het moeras bij de Nijl is in de verste verte geen asfalt, geen elektriciteitsnet, geen waterleiding. Een straffe wind van boven de 40 graden raast van buigende rietstengels naar afgebrokkelde stenen gebouwtjes, langs kapotgeschoten terreinwagens en door de ramen van de school.

Zo is hier de situatie in het noorden van Zuid-Soedan, nog geen vier jaar na de onafhankelijkheid van het land. Een ‘nieuwe oorlog’ heeft onderwijzer Game Dok teruggedreven naar zijn geboortedorp. Altijd droomde hij ervan aan de universiteit in Juba te gaan studeren. Maar toen in december 2013 een sluimerend machtsconflict tussen de nieuwe president Salva Kiir en zijn voormalige vicepresident Riëk Machar tot een uitbarsting kwam, moest hij de Zuid-Soedanese hoofdstad ontvluchten. Dinka-soldaten, trouw aan president Kiir, vermoordden duizenden Nuers, de bevolkingsgroep waartoe ook vicepresident Riëk behoort.

Slungelige lijfwachten

De gebeurtenissen van december 2013 hebben een nieuwe fase ingeluid in het tribale geweld dat Zuid-Soedan al decennia in zijn greep heeft. Vanaf 1983 voerden de Zuid-Soedanezen een onafhankelijkheidsoorlog tegen de gearabiseerde noordelingen in het huidige Soedan. Tot het vredesbestand in 2005 vielen er naar schatting twee miljoen doden. Maar toen ook al vielen de meeste slachtoffers door twisten binnen de Zuid-Soedanese onafhankelijkheidsbeweging zelf.

Leerlingen krijgen les in de resten van een basisschool in Pilieny, Zuid-Soedan. Krijt en schriften zijn er niet.foto’s Petterik Wiggers/Hollandse Hoogte

Ook in die broederstrijd speelde de huidige rebellenleider Riëk Machar al de hoofdrol. Vijfentwintig jaar geleden zat hij op een houten klapstoel, de enige in het dorpje Pilieny, onder een boom een sigaretje te roken, omringd door slungelige lijfwachten van de Nuerstam. Er heerste rust in het gebied dat onder zijn controle stond, maar ook een middeleeuwse armoede. „Onder het bestuur van Riëks rebellen gingen kinderen uit mijn dorp voor het eerst naar school, in hun blote kont onder een mangoboom”, herinnert Game Dok zich. „We snakten naar een toekomst met onderwijs”.

Na het vredesbestand van 2005 bouwden Zuid-Soedanezen spontaan honderden scholen, hongerig naar kennis na dertig jaar oorlog. „Maar door de strijd tussen Dinka’s en Nuers zijn we weer teruggekeerd naar de oertijd”, zegt Game Dok.

Frisdrank in de winkel

Kinderen dragen nu een rijke schakering aan T-shirts van Engelse voetbalclubs of met de Zuid-Soedanese vlag, maar de meesten gaan blootsvoets. In de winkeltjes is behalve zeep nu ook frisdrank te krijgen, maar tegen een formidabele prijs, want handelaren moeten hun waar dagenlang op hun hoofden torsen door vijandig gebied. De zendmast voor mobiele telefonie, die bij de vrede een symbool werd voor betere tijden, functioneert niet meer.

Een paar honderd meter van het schooltje hangt onder een vijgenboom een handjevol soldaten van Riëks rebellenleger rond een schoolbank. Game Dok wijst naar de groep rijzige mannen, ieder meer dan twee meter lang: „Zie je die lange daar? Dat is Samuel Ngundeng, de militaire bestuurder van Pilieny.” Waarna zijn stem daalt naar het niveau van vertrouwelijkheid: „Onze leiders begonnen tegen onze wil deze nieuwe oorlog. Militairen handelen door bevelen, burgers debatteren. Dat is het probleem van Zuid-Soedan. Wat kunnen wij burgers daartegen in brengen?”

Samuel Ngundeng vertelt waarom alle burgerbestuurders werden vervangen. „We hebben sterke militaire leiders nodig, want deze oorlog gaat lang duren.”

Rebellencommandant Peter Keah Jak is nu de hoogste bestuurder in Leer, nu strijders van oud-vicepresident Riëk Machar na maandenlange strijd het gebied hebben veroverd.

Hij begon met vechten in 1984 in het bevrijdingsleger. In 2005 werd hij regeringssoldaat en eind 2013 ontvluchtte hij zijn kazerne in Juba om zich aan te sluiten bij Riëks rebellenleger. Die strijdmacht rekruteert overal in het Nuergebied – soms onder dwang.

Onder een boom dut een jongetje van nog geen veertien, zijn geweer als steuntje in de nek. Ook minderjarige jongeren moeten onder de wapens, aan zowel regeringskant als rebellenzijde.

Twee uur lopen van Pilieny op het pad over de uitgedroogde stoppelige zwarte aarde ligt Leer, het geboortedorp van Riëk Machar. Bij de districtshoofdplaats verrijzen enkele hoge rieten woningen. Na de verwoestingen en moordpartijen ruim een jaar geleden voelt de bevolking zich weer een beetje veilig, hoewel het regeringsleger nog geen honderd kilometer verderop bivakkeert.

De machtstrijd eind 2013 bracht een cyclus van geweld op gang. In het nauw gebrachte Nuers in het regeringsleger en duizenden traditionele stamstrijders sloten zich bij Riëk aan. Deze ongedisciplineerde krijgers vernietigden het stadje Bor, bolwerk van de Dinka’s, en vervolgens gingen de steden Bentiu en Malakal in vlammen op. In februari 2014 werd er wraak genomen op Riëks geboorteplaats Leer.

Eerst kwamen er strijders van de aan Salva Kiir gelieerde Beweging voor Gerechtigheid en Gelijkheid (Jem), een verzetsgroep uit Noord-Soedan met sterke moslimfundamentalistische trekken. „We dachten dat paters en nonnen gevrijwaard zouden blijven. De oorlog met het islamitische Noord-Soedan is immers voorbij en de meeste Zuid-Soedanezen zijn christen”, zegt een kerkleider in Leer met een zuur gezicht. „De Jem-strijders met tulbanden schoten op alle burgers. Vrouwen, kinderen, ouderen, nonnen, paters, we kwamen allemaal onder vuur. Daarom renden we allen voor bescherming naar de moerassen van de Nijl.”

Afgebrand ziekenhuis

Onder hoge bomen, waarin visarenden vechten om een prooi, beheert Artsen zonder Grenzen Nederland in Leer al 27 jaar een ziekenhuis, het enige in de wijde omtrek. Op de binnenplaats van de smoezelige gebouwtjes rest wat gered kon worden: een bevallingstafel en wat krukken. Voor patiënten zijn er alleen op matrassen op de vloer. De aanvallers plukten het hospitaal leeg en zetten het in brand. Dat deden ze ook met de twee kerkjes van Leer, de erven van buitenlandse hulporganisaties, winkeltjes en de paar stenen huizen.

Dat Leer in de as werd gelegd, past bij de politiek van de verschroeide aarde. In het deels herbouwde ziekenhuis controleert verpleegkundige Saadi Yoak kinderen op ondervoeding. „In de ogen van de aanvallers is het vernietigen van een ziekenhuis zinvol”, zegt hij als hij over zijn gezicht wrijft, dat door de tatoeages nog getergder lijkt. „Wij zijn Nuers en niemand mag voor ons zorgen”.

Na de evacuatie van expats trok Saadi Yoak onder een kogelregen op zijn teenslippers met vijftig patiënten het moeras in, beladen met infusen en tabletten. Tijdens de bevrijdingsoorlog tegen Soedan liep hij honderden kilometers, maandenlang. „Maar dit werd de zwaarste tocht van mijn leven.”

En ’s nachts zijn er de muggen

Zijn patiënten begonnen te sterven door gebrek aan voedsel. Nieuwe gewonden, vooral verkrachte vrouwen, sloten zich bij hem aan. Zijn eigen echtgenote was zwanger van een tweeling. „Ik kon steeds minder voor de zieken zorgen. Iedere dag weer waterlelies eten, drie maanden lang. De bloedzuigers tussen mijn benen, de slangen in de drijvende vegetatie en in de nacht de muggen. Het was een verschrikking.”

Saadi Yoak is over de vijftig, hij heeft een leven vol oorlog achter de rug. De strijd met Noord-Soedan destijds was zwaar voor hem, maar toen vocht de vijand alleen om stadjes. „Het verschil is dat de aanhangers van president Salva Kiir ook het platteland op trekken om burgers en hun bestaan te vernietigen. Een oorlog waarbij burgers doelwit zijn, is een stamoorlog.” Meer dan drie maanden leefde hij op steeds weer andere eilandjes in de Nijl, alsmaar met zijn patiënten op de vlucht voor zijn achtervolgers.

Na twee maanden hadden de strijders van Riëk Leer heroverd. Rebellencommandant Peter Keah Jak is er nu de hoogste bestuurder. Tussen duikende roofvogels slentert hij over een veld vol smerig afval naar zijn kantoor. Verwachtingsvol slaat hij steeds weer een blik op zijn mobieltje. Ziet hij een oplossing? De commandant schuift een plastic tuinstoel achter de tafel naast een lege boekenkast in zijn kantoor. „President Kiir heeft na de bloedbaden in Juba de legitimiteit verloren om ons te besturen. We moeten gescheiden leven van de Dinka’s. Wij zijn niet moe van oorlog”, zegt hij boos. „Sinds het begin van onze voorvaderen zijn de Nuers nog nooit verslagen door de Dinka’s.”

Koorkinderen verzamelen zich bij het kerkje van Leer. De spiraal van haat en wraak lijkt eindeloos. „Zuid-Soedanezen zijn getraumatiseerd, van hoog naar laag”, verzucht een dominee terwijl hij aan zijn preek voor morgen werkt. „Vechten blijkt de enige manier om die trauma’s uit de weg te gaan.” Op de achtergrond begint het koor met repetities. „Morgen hoort iedereen in de kerk mijn mooie woorden. Maar de genezing kan pas beginnen als mensen weer hoop hebben op een toekomst.”