Bij topbankiers ontbreekt de harde concurrentie om salaris

Topbankiers zouden in het buitenland meer krijgen. Er zijn twee argumenten die dit tegenspreken, vindt Irene van Staveren.

Twee argumenten waarom bankiers niet zomaar naar het buitenland vertrekken. Ten eerste is topbankieren in Londen of New York van een ander kaliber. Werkdagen van ’s ochtends acht tot ’s avonds tien zijn normaal. In een werksfeer die bol staat van vriendjespolitiek in de top, vlijmscherpe onderlinge wedijver en de sociale druk om veel te drinken. Een gezinsleven is vrijwel onmogelijk. En je kunt van de ene dag op de andere ontslagen worden. Er zijn maar weinig Nederlanders die daarin voor langere tijd floreren.

Ten tweede zijn de salarissen van topbankiers geen afspiegeling van hun schaarste. Hoe hoger je komt op de bancaire arbeidsmarkt, des te minder lijkt deze op een gewone markt met gezonde competitie die de loonontwikkeling drukt. Maar de top vindt dat ze in haar recht staat om een verhoging van 16 procent (ABN Amro) of zelfs 28 procent (de bestuursvoorzitter van ING) te krijgen. Dat er bij ABN Amro later vanaf is gezien, kwam door de commotie en niet omdat men erkende dat 16 procent voor de top versus 0 procent voor de gewone medewerker niet passend was.

De arbeidsmarkt voor topbankiers is net als bij popsterren en topvoetballers een zogenoemde WTA-markt: winner-takes-all. Degenen bovenaan de piramide halen vrijwel de hele loonsom in de sector binnen, zonder bovengrens. Madonna zingt niet duizend keer beter dan het meisje dat een talentenjacht wint. En de zangeres die eigenlijk beter zingt dan Madonna, maar een heel gewoon uiterlijk heeft, kan ook niet aan de miljoenenverdiensten van de ster tippen.

De bovengrens voor inkomens in een WTA-markt wordt louter bepaald door wat de consument wil betalen. Dat is meer een kwestie van emotie en status dan van prestatie. Emotie omdat we graag helden willen hebben en sterren willen bewonderen. Status omdat we vinden dat helden en sterren hun inkomsten echt verdienen, het past bij hun imago en onderstreept hun onbereikbaarheid.

Is het ook zo voor topbankiers dat er geen duidelijke relatie is tussen prestatie en inkomen? Laten we de proef op de som nemen met twee kleine particuliere banken. De ene bank heeft in 2009 en 2012 verlies geleden. De andere is enorm gegroeid door nieuwe rekeninghouders en heeft ieder crisisjaar winst gemaakt. De eerste bank is Van Lanschot, de tweede Triodos. Hoeveel verdienden hun CEO’s in 2014? De baas van de vermogensbank ontving rond de één miljoen euro, die van de groene bank ongeveer een kwart daarvan. Is de eerstgenoemde een betere bankier dan de tweede?

De financiële prestaties van zijn bank laten dat niet overtuigend zien. De waarde van de bezittingen (tier-1 kapitaalratio voor de kenners) ligt 4 procentpunt lager dan bij de groene bank (en moet omhoog zegt de vermogensbank zelf). Het winstpercentage ten opzichte van het eigen vermogen ligt bij beide banken rond de 4,5 procent (als we de pensioenmeevallers niet meerekenen). De efficiency (operationele kosten ten opzichte van inkomsten) is 3 procentpunt beter bij Van Lanschot. Maar Peter Blom, de baas van Triodos, slaagt er daarentegen in om naast stabiele financiële resultaten ook mooie maatschappelijke rendementen te realiseren, voor milieu, cultuur en zorg.

Waarom is er geen maatschappelijke onrust over het salaris van Karl Guha van Van Lanschot? Dat is geen too-big-to-fail bank en zolang de klant het geen probleem vindt dat hij zoveel van hun beleggingsrendement afroomt, is er geen maatschappelijk probleem. Maar de grote systeemrelevante banken hebben óók rekening te houden met de principes van de WTA-markt van emotie en status. Als het vertrouwen van de samenleving in hen laag blijft en zij zelf telkens weer hun status bezoedelen met schandalen verdienen ze het van de consument niet om winnaar te zijn. Zolang ze geen helden zijn zullen ze het moeten doen met een ‘gewoon’ salaris.