‘Agenten noemen moslims jurken’

Aan benoemingen bij de politie is te zien dat er weinig is veranderd, vindt Martin Sitalsing. Hij was de eerste allochtone korpschef.

Islamitisch Centrum Imam Malik, een moskee in Leiden wordt bewaakt door politieagenten. Er heerst een monocultuur bij de politie, zegt oud korpschef Martin Sitalsing. Foto Phil Nijhuis

Martin Sitalsing arriveert bij de vergadering voor hoofdcommissarissen. De vrouw achter de balie kijkt hem aan. „Voor wie bent u de chauffeur?” Sitalsing begint te lachen. Een collega naast hem merkt op: „Eh, hij is de korpschef.”

Discriminatie bij de politie: er wordt druk over gesproken sinds twee weken geleden een intern memo van korpschef Bouman uitlekte. Hij schreef dat ‘het gif van de uitsluiting’ de politieorganisatie binnensluipt. Volgens Bouman wordt binnen de politie gesproken over ‘kutmoslims’ en worden allochtone agenten door hun collega’s ‘gekleineerd’ en ‘zonder respect behandeld’. Donderdag sprak Bouman met allochtone agenten over de cultuur bij de politie naar aanleiding van zijn blog. .

Martin Sitalsing was in 2009 de eerste allochtone korpschef van Nederland. De agent van Surinaamse komaf klom op tot hoogste baas van het politiekorps Twente. In 2012 verliet hij de politie en werd hij directeur van Jeugdzorg Groningen.

Herkent u zich in de opmerkingen van Bouman over discriminatie?

„Voor een deel. Vooral in het begin van mijn carrière, toen ik nog op straat liep, heb ik te maken gehad met storende opmerkingen. Er heerst op veel bureaus een soort ‘wachtkamercultuur’: mannen onder elkaar die aan het geinen zijn. Moslims noemen ze ‘jurken’ – en dan blijft het nog netjes. Surinamers zijn allemaal bolletjesslikkende drugsgebruikers met gouden tanden. Of er wordt gezegd: ‘Kom, we gaan effe negers vangen op de Zeedijk’. Leuk bedoelde opmerkingen, maar ze dragen wel bij aan een negatief beeld over een bevolkingsgroep. Agenten die zo’n bevolkingsgroep vervolgens op straat tegenkomen, gaan hen ook met een andere houding benaderen, daar ben ik van overtuigd.”

Waar komen die grappen vandaan?

„Het zijn vooroordelen die agenten in de praktijk bevestigd zien. Ze wonen vaak niet in buurten met hoogopgeleide allochtonen. Voor hun werk komen ze wel in contact met de probleemgevallen, in lastige wijken. Zo leren ze alleen de slechte voorbeelden kennen.”

Hoe ging u zelf om met die grappen?

„Ik maakte grappen terug, waarmee ik ze te kakken zette. Er waren collega’s die elkaar moppen vertelden over hoe slecht Turken of Marokkanen met vrouwen omgaan. Als we daarna naar een wit gezin gingen, waar huiselijk geweld had plaatsgevonden, zei ik: ‘nou, wat gaan die Hollanders toch lekker om met hun vrouwen’. Konden ze niets tegen inbrengen. Zo confronteerde ik ze met hun eigen domheid. Ik merkte dat ik met mijn humor en scherpe tong respect afdwong.

„Met grappen over buitenlanders deed ik bewust niet mee. Ik zie sommige allochtone collega’s dat wel doen. Om erbij te horen gaan ze zelf óók stereotype grappen maken over allochtonen. Of het goed is, weet ik niet. Wel als je je als een houtluis probeert in te vreten in de cultuur, en die vervolgens van binnenuit verandert. Maar door mee te doen, creëer je ook de ruimte om zulke grappen te blijven maken.”

Had uw Surinaamse afkomst invloed op uw carrièremogelijkheden bij de politie?

„Toen ik voor het eerst chef werd, voelde ik veel waardering vanuit de politieleiding. Dankzij jou kunnen ze goeie sier maken met hun kleurrijke managementteam. Maar als je zelf hogerop komt, als je een concurrent voor ze wordt, keert het zich tegen je. Als commissaris in Groningen ging ik drie schalen omhoog. Om mij heen zag ik de wenkbrauwen gefronst worden. Ze zeggen het nooit rechtstreeks, dat durven ze niet, maar van anderen hoor je dat die of die vindt dat ik het aan mijn afkomst te danken heb. Of op een borrel hoor je opeens: ‘Ja, maar jij hebt je kleurtje mee.’

„Hetzelfde merkte ik toen ik als korpschef een nieuwe commissaris van Enschede moest benoemen. Ik had een jonge Marokkaanse man op het oog. Dat leidde tot veel discussie. Waarom nou hij? Kan hij het wel? Er zijn toch ook andere kandidaten? Toch heb ik hem benoemd, en hij doet het fantastisch – nog steeds. Wil je het probleem met discriminatie bij de politie oplossen, moet je beginnen bij de leiding.”

Het is bekend dat u teleurgesteld was toen u in 2012 niet terugkwam als een van de tien kwartiermakers van de Nationale Politie. Waarom bent u niet gekozen?

„Ik heb nooit een goede reden gehoord om mij niet te benoemen.”

Had het te maken met uw afkomst?

„Niet zozeer met mijn huidskleur, maar wel met dat ‘anders-zijn’ niet wordt gewaardeerd bij de politie. Er heerst een enorme monocultuur. In het selectieproces wordt heel erg gekeken naar: wie kent hem? Er wordt meer van hetzelfde gezocht. Al die bazen kennen elkaar van de academie. Het is ons kent ons. En ik was te weinig ‘ons’.”

Korpschef Bouman heeft met zijn uitgelekte memo over discriminatie de boel wakker geschud. Verandert er nu wat?

„Ik vraag me af of Bouman bezig is om het korps diverser te maken. Het afgelopen jaar zijn er een heleboel nieuwe teamchefs en districtschefs benoemd. Daar zie je die monocultuur helemaal in terug. Er is niet gestuurd op diversiteit, hoor ik van oud-collega’s. In heel het land zijn de leidinggevenden meer van hetzelfde. Bouman kan wel een mooie blog schrijven over discriminatie, maar ik zie dat niet terug in zijn benoemingenbeleid.”