Interview

Zie je wel: ik doe het weer niet goed

Hij is psychiater, zij weet uit ervaring wat een ernstige depressie is. Ze schreven er samen een boek over.

Robert Schoevers en Selma Parmentier, psychiater en ervaringsdeskundige. Foto Ilvy Njiokiktjien

Amersfoort. Robert Schoevers en Selma Parmentier schreven samen het boek Diagnose Depressie, maar hij is niet haar psychiater en zij is niet zijn patiënt. Ze kennen elkaar door de colleges die ze geven aan studenten geneeskunde in het UMC Groningen, hij als hoogleraar psychiatrie en zij als zichzelf: een vrouw van 50 die sinds haar jeugd aan ernstige depressies lijdt.

Schoevers, 52, vraagt dan een student naar voren te komen die bij haar de anamnese mag doen en zij vertelt haar verhaal. Altijd weer ontroerend, vindt hij. „Dit is waar mijn vak over gaat: mensen met ernstige psychiatrische stoornissen die een grote impact op hun leven hebben. Lang niet altijd te genezen, maar vaak is er wel verbetering mogelijk.” De behandeling van depressie, daar gaat zijn deel van het boek over.

In haar deel beschrijft ze hoe het voelt om jezelf te verliezen en je een diep mislukt mens te voelen, zo sterk soms dat ze er wanen van krijgt. Dan is ze al dood, een lijk in ontbinding, ze ziet rottende stompen aan haar armen en benen. Uit een gat tussen haar borsten kruipen maden en stroomt bloed. Ze beschrijft ook de behandelingen, de opnames, de eerste keer was op haar zeventiende.

We zitten in De Onthaasting in Amersfoort, een lunchroom waar men ‘onbeperkt kan onthaasten’. De bediening wordt gedaan door mensen met een verstandelijke beperking.

Parmentier vertelt dat haar vader een wolfabriek in Dokkum had, tot hij door de concurrentie uit het verre oosten failliet ging. Hartaanval, arbeidsongeschikt, daarna toch reisleider geworden. Hij sprak zijn talen.

Haar moeder was huisvrouw. De lakens op de bedden, de handdoeken in de badkamer, de messen naast het bord, de margarine op de boterham, de dikte van de plakjes leverworst, alles moest volgens haar regels, anders ging ze gillen.

„Ze had hbs gedaan en ze was verpleegster”, zegt Parmentier. „Tot ze trouwde.” Aan het begin van hun huwelijk hadden haar ouders nog wel een wereldreis gemaakt.

En dan dit: haar moeder was de jongste in een streng gereformeerd gezin met zeven kinderen. Twee daarvan, een tweeling, waren als baby gestorven en hun moeder kwam daar niet meer overheen. Het was haar schuld geweest. Ze belandde in een inrichting.

Ellende die door het in- of uitschakelen van genen een effect kan hebben op je latere leven en die via de genen aan het volgende geslacht wordt doorgegeven – Schoevers schrijft erover in het hoofstuk Epigenetica. Is de geschiedenis van Parmentier daar een voorbeeld van?

Schoevers: „In een individueel geval kun je dat niet met zekerheid zeggen, maar ik denk wel” – hij kijkt naar Parmentier – „dat jij genetisch belast bent. Daarnaast is er de psychologische kant. Als jij als kind leert dat het altijd door jou komt als er dingen misgaan, wordt dat de manier waarop je naar de wereld kijkt.”

Parmentier knikt.

Schoevers: „Dan kost het je veel meer energie om er een constructieve draai aan te geven dan wanneer je basisattitude is: hoe kan ik het oplossen.”

Parmentier knikt weer. „Ik denk altijd: zie je wel, ik doe het weer niet goed, ik ben niet goed genoeg.”

Op haar vijftiende kreeg ze voor het eerst een psychiater aan haar bed, ze was in de war na een operatie. Twee jaar later werd ze opgenomen wegens anorexia en depressie. Ze kreeg te horen dat er nooit wat van haar terecht zou komen. Ze moest zich voorbereiden op een leven in instellingen.

Ging dat echt zo in die tijd?

Parmentier: „Ja, er werd alleen maar gekeken naar wat je niet meer kon. Ik wilde weer naar school, maar niemand die er nog een stuiver voor gaf.”

Schoevers: „Ik geloof wat je zegt, maar misschien dat je behandelaar het anders bedoelde dan hoe het bij jou is overgekomen. Vanuit je depressie kleur je de dingen anders. Je hebt in het verleden misschien weinig positieve feedback gekregen…”

Parmentier: „Nooit.”

„… maar je bent ook geneigd om feedback negatief te interpreteren, ook al heeft iemand…” Hij maakt zijn zin niet af en zegt: „Hulpverleners hebben gemiddeld gezien denk ik wel het beste voor met hun patiënt.”

Parmentier: „Dat heb ik dus anders ervaren.”

Ze vertelt dat ze door de psychotherapie op haar achttiende wel inzicht kreeg in hoe ze was grootgebracht. Ze leerde ook veel door op kleine kinderen te passen. „Dan had ik een baby in mijn armen en dacht ik: hoezo druk je die tegen een koude wasbak zodat hij gaat plassen. Mijn moeder deed dat vroeger om luiers uit te sparen. Ze was er trots op.”

Die negatieve denkpatronen, als ze eenmaal diep zijn ingesleten, valt dat nog te veranderen?

Schoevers: „Ja, maar het is een kwestie van lange adem.”

Parmentier: „Het kost heel veel tijd en energie. Sinds 2002 heb ik echt de goeie medicijnen en sinds 2010 een behandelaar die me helpt om mijn hoofd en mijn leven te structureren. Afgelopen donderdag had ik het met hem over de cliëntenraad van het ziekenhuis, of ik daar in zou gaan. Vraagt hij: vind je het leuk of moet het van jezelf? ’s Avonds zit ik in mijn dagboek te schrijven en denk ik: verrek, hij heeft gelijk, ik denk dat het moet, maar het hóéft niet. Zo’n opluchting.”

Schoevers: „Terwijl ik zou zeggen: goed idee.”

Parmentier, verbaasd en gevleid: „Waarom?”

Schoevers: „Je zou een aanwinst zijn. ”

Parmentier: „O ja?”

Schoevers: „Ja. Ik zou denken: laten we er een mouw aan passen.”

Parmentier, van onderwerp veranderend: „Ik heb het meest aan mensen die me praktisch helpen en niet in het verleden blijven graven, want dan blijf ik graven in mezelf en mezelf slecht vinden.”

Op haar 22ste haalde ze toch haar vwo-diploma en ze werkte als secretaresse, tot het niet meer ging. Nu werkt ze twee dagen per week op een zorgboerderij, in een groep, onder begeleiding. „Als ik loop te stressen omdat ik de koeien moet voeren, dan zien ze dat onmiddellijk. En dan zeggen ze: ga jij maar even een sigaretje roken in de zon.”