Het kan altijd groezeliger en gruiziger

Foto Andreas Terlaak

Eén van de bloeiende genres van dit moment is garagerock. Uit Nederland komen bands als Moses & The Firstborn, traumahelikopter, The Miseries en Afterpartees, en internationaal, vooral in Amerika, is er voortdurend nieuwe aanwas. Garagerock wordt doorgaans niet gemaakt in de garage, maar ontleent graag de associatie met ronkende motoren en het groezelige imago.

Je zou kunnen denken dat de term een excuus is voor belabberde opnamekwaliteit, of ongenuanceerde herrie. Dat is soms het geval, inderdaad. Maar doorgaans is de gruizige garagesfeer zorgvuldig om de songstructuren geplooid.

Bijvoorbeeld bij de deze week verschenen tweede cd van Alabama Shakes, Sound & Color. De groep uit het Zuiden van de Verenigde Staten, die op debuut-cd Boys & Girls (2012) de zintuigen prikkelde met hun rauwvuige versie van zuidelijke soul, neigt nu meer naar rock. Zangeres Brittany Howard laat haar machtige stem overslaan tot een ‘Robert Plant’-falset, in het intense Don’t Wanna Fight.

In de garage van Alabama Shakes wordt niet geknetterd en gehamerd. Hier wordt subtiel gepuzzeld met de onderdelen, zoals voorzichtige gitaarakkoorden en zacht getrommel. De meeste nummers koersen in lage versnelling, waarbij soms wordt toegewerkt naar een bloedstollende uitbarsting, rauwer dan rauw, wranger dan wrang, in Miss You en The Greatest. Vervolgens neemt de band gas terug, met de wiegende cadans van bijvoorbeeld Guess Who, waarin ook marimba en strijkers een rol spelen.

Zanger Mikal Cronin had al een reputatie als bassist in de band van garage-koning Ty Segall, die het genre de afgelopen jaren eigenhandig heeft opgepoetst en bekendgemaakt. Waar Segall vuig en krakerig klinkt, lijkt Cronin de werkplaats goeddeels te hebben verlaten. Hij staat knipperend tegen het zonlicht op het gazon en combineert de klassiek-fuzzy gitaren met opgewekte fiddle en lieflijke samenzang.

Het resultaat op het derde album MCIII is een reeks popsongs waarin Alabama Shakes de euforie over het leven, verbeeld door glanzende melodieën en aanzwellende blazers, lardeert met het memento mori van stof, ruis en vocale gelatenheid.

Kleinere goden van het genre zijn de licht ontvlambare Palma Violets, bekend om hun woeste optredens. Dit Britse kwartet laat op het tweede album horen dat de garagesound soms ontaardt in kroeggezang van twee opgewonden voormannen.

Maar vooral in de openingsnummers van Danger In The Club, en in bijvoorbeeld het romantischer Coming Over To My Place, plantten de muzikanten voldoende verrassingselementen in de melodie om de overdaad aan gruis en gelal te doorstaan.