Hermans’ laatste milde maanden

Vandaag 20 jaar geleden overleed Willem Frederik Hermans. Kort voor zijn dood had Auke Kok nog met de auteur te maken, omdat hij schreef over de landverrader Anton van der Waals, de inspiratie voor Hermans’ ‘De donkere kamer van Damokles’.

Foto Flip Franssen/ Hh

Waarom schreef hij mijn naam nou verkeerd? Ik had op veel gerekend, maar niet op de achternaam ‘Bos’ in een stuk van W.F. Hermans over mijn boek. Nu stond Hermans natuurlijk wel bekend om het sardonisch genoegen waarmee hij namen verhaspelde als hij iemand, een schrijver, een politicus, belachelijk wilde maken. Dat wel. En je zou kunnen zeggen dat ik met zijn onderwerp aan de haal was gegaan. In De verrader, Leven en dood van Anton van der Waals had ik het ware leven van de beruchte landverrader uit de doeken gedaan. Ik had Van der Waals kenbaar gemaakt terwijl in de ogen van Hermans niemand kenbaar was; er was geen kennis, alleen maar gestuntel van onmachtigen. In de oorlogsroman die Hermans in 1958 zoveel roem had bezorgd, De donkere kamer van Damokles, denkt hoofdpersoon Henri Osewoudt — gebaseerd op Van der Waals — het goede te doen maar hij doet het verschrikkelijke.

Daarom had die recensie van Hermans, begin maart 1995 in HP/De Tijd, van mij niet gehoeven. Ik vreesde Hermans’ afkeer van journalisten zoals ik, ‘nulliteiten’ uit het land van labbekakken, van taalhaters zonder respect voor grote schrijvers zoals hij. Daarom woonde hij in het mondaine, meer op het goede leven afgestemde Brussel. Vanuit zijn herenhuis in de ambassadebuurt verstuurde hij eind februari een fax naar de redactie. Zes vellen papier en steeds de naam ‘Bos’. Op het derde vel de verlossende en tegelijk verbazende woorden: „...het adembenemende boek dat Auke Bos aan Van der Waals wijdde...”

Moest ik blij of verdrietig zijn dat ‘Auke Bos’ kennelijk een adembenemende biografie had geschreven? Ik vroeg het Hermanskenner Raymond Benders. Hij vond dat ik blij moest zijn. ‘Bos’ kwam door de naderende dood. Vergissing van een ziek mens. Suikerziekte, aangetaste lever, longemfyseem: Willem Frederik Hermans hoestte zich naar het einde van een leven dat in 73 jaar weinig geluk en veel schitterende literatuur had opgeleverd. Misschien maakte het uitzicht op het grote niets hem mild en hoefde ik geen nieuw slachtoffer te zijn zoals in zijn eerdere polemieken in Mandarijnen op zwavelzuur. In dezelfde laatste levensfase bracht Hermans een ode aan zijn woonstad, in het verhaal Ik heb Brussel lief.

Lief? Ik bedoel maar.

Wat ook kan hebben meegespeeld: ondanks zijn aftakelend gestel verging het de schrijver goed. Toen hij eind februari zijn recensie schreef op zijn rode elektrische IBM-typmachine, wist hij dat Amsterdam een eerherstel voor hem in petto had. Op 5 maart zou hij met een lezing voor het Multatuli Genootschap in de Stadsschouwburg triomferen in de stad die hem in de jaren tachtig persona non grata had verklaard vanwege optredens in Zuid-Afrika. Tijdens zijn lezing vermande hij zich, zijn pruttelende longen bleven kalm en hij oogstte lof. Kroonprins Willem-Alexander was ook aanwezig. De meester van het nihilisme genoot, zoals hij tussen alle sombere buien door graag genoot van kaviaar en truffels en champagne met zijn kleine vriendenclubje in Brussel. Tussen zijn vrienden, meer bewonderaars, was hij hoffelijk en vrijgevig, heel anders dan wij hem hier kenden.

De plek van zijn einde werd toch een nederlaag. Of in ieder geval een knieval. Na weken van overvloedige etentjes in onder meer La Truffe Noire toog W.F. Hermans op 24 april 1995 per ambulance van Clinique Léopold in Brussel, waar hij op 10 april was opgenomen, naar het Academisch Ziekenhuis in Utrecht. Meer dan in het katholieke België zou hij in vrijzinnig Nederland in staat zijn de overgang van tijdelijk naar eeuwig te beïnvloeden. Het pijnlijke hoesten mocht niet onnodig lang duren. Nederland was schijnbaar niet goed genoeg om in te leven — wel om in te sterven. Of, zoals Raymond Benders het me uitlegde: „Waarschijnlijk dacht hij: jullie hebben me in Nederland altijd geestelijk dood willen maken, maak me dan nu maar helemaal dood.”

Na oneindig veel pakjes Gauloise en tirades tegen Nederlanders vertrok Hermans in kamer 18 van afdeling B3 met alleen zijn vrouw Emmy, zijn zoon en schoondochter om zich heen, om op 27 april zijn laatste stap te zetten.

Sindsdien kan ik zeggen: het laatste wat W.F. Hermans schreef, ging over mij. En nog positief ook! Helaas komt dat feit in de gedetailleerde, tweeduizend pagina’s dikke biografie van Willem Otterspeer over Hermans niet voor. Foutje, zoals dat ‘Bos’ door Hermans een foutje was. Wat ergens ook weer klopt, omdat alles in het Hermansiaanse universum van fouten en misverstanden aan elkaar hangt. Zelfs in De donkere kamer stonden foutjes, lees ik bij Otterspeer, altijd weer die foutjes, het zal de exacte wetenschapper in dr. Hermans droef hebben gestemd.

Net zo als het de hoofdpersoon in Een heilige van de horlogerie niet lukte alle klokken gelijk te laten lopen, faalde Hermans tot op het laatst in zijn streven een foutloos stuk in te leveren. Ik heb de originele fax nog, aan de handgeschreven correcties is te zien dat hij het werkelijk probeerde. Het moest helemaal goed zijn en natuurlijk mislukte dat.