Column

Een monument voor vermoorde Armeniërs

‘Het is helemaal geen kwestie van identiteit”, zegt de 42-jarige handelaar in zonnepanelen uit Almelo fel, als ik hem vraag of hij zich ook de rest van het jaar Armeniër voelt. „Dat de moord op anderhalf miljoen Armeniërs nog steeds niet algemeen als genocide erkend wordt, maakt me woest. Daarom loop ik hier.”

We zijn op begraafplaats De Boskamp, even buiten Assen, bij het monument voor de Armeense genocide. Op deze vrijdag, de honderdste gedenkdag, lopen zo’n tweehonderd Armeniërs in een stille tocht naar het kleine monument, een twee meter hoge steen met een christelijk kruis en andere Armeense symbolen. Zij voeren gruwelijke foto’s uit 1915 mee, van uitgeteerde mensen die in hongermarsen van hun dorpen in Noordoost-Anatolië door de woestijnen van Noord-Syrië en Noord-Irak werden gevoerd. Er zijn Armeense vlaggetjes en er is een groot spandoek: „Turkije, stop je ontkenningspolitiek”. En er worden portretten meegedragen van Hrant Dink, een journalist die in Istanbul het tweetalige Armeens-Turkse weekblad Agos leidde, en in 2007 is vermoord.

Moeilijk te zeggen hoeveel Nederlanders van Armeense afkomst er zijn. Wellicht zo’n 15.000, vermoedt Inge Drost, van de Federatie van Armeense organisaties in Nederland. Hun achtergrond is zeer verschillend: immigranten uit het land Armenië, tot 1991 een Sovjetrepubliek en nu zelfstandig, uit Turkije, Libanon, Griekenland en de vele andere landen waarover de Armeniërs verstrooid zijn. Een bijzondere groep vormen de Armeniërs die na de liquidatie van ons imperium in de Oost als Indische Nederlanders zijn gekomen.

Dat het Nederlandse monument voor de Armeense genocide juist in Assen staat, komt doordat een Armeense zakenman uit de buurt, Nicolai Romashuk, daartoe in 1999 het initiatief nam. Jaren van Turkse protesten en rechtszaken – tot voor de Raad van State – volgden. Maar sinds 2001 staat het er en Romanshuk leidt zelf de herdenking. Er zijn Armeense priesters die een ritueel voor de doden voltrekken en meisjes van een Armeense dansgroep in zwarte kleding voor de omlijsting.

Er zijn nauwelijks niet-Armeniërs: de voorzitter van de protestantse kerkenraad van Assen en twee leden van de Tweede Kamer. Harry van Bommel van de SP en Joël Voordewind van de ChristenUnie zijn er beiden, al jaren, zeer voor geporteerd dat de Nederlandse regering – in navolging van onder andere Frankrijk, de paus en de Duitse Bondspresident Gauck – erkent dat de gebeurtenissen van 1915 en 1916 een genocide vormden. De historische gang van zaken is inmiddels niet echt omstreden meer: in de nadagen van het Ottomaanse Rijk heeft de partij der Jonge Turken welbewust geprobeerd een gewelddadig eind te maken aan de invloed en het bestaan van Armeniërs in Anatolië en is daar in aanzienlijke mate in geslaagd. Zelfs in de Turkse samenleving is het drama van 1915 niet echt meer een geheim – alleen de Turkse regering ontsteekt nog in woede als het woord ‘genocide’ valt. En de Nederlandse regering hult zich in vaagheid.

„Een kwestie van tijd”, meent Van Bommel.