Vroeger dan vroeger maar later dan laatst

Bloeiende krokussen op het Lange Voorhout in Den Haag, halverwege maart 2009. Dat is normaal. Foto Gerhard van Roon

‘Natuur twee weken voor op schema, zwaar pollenweekend op komst.” Dat was het natuurbericht van 5 maart. De hoge temperaturen die eraan kwamen zouden planten en dieren een sterke impuls gaan geven. De eerste kieviten gingen hun eerste ei leggen en veel mensen zouden hun eerste dagvlinder zien. Het klein hoefblad zou gaan bloeien. Elzen gingen pollen lozen. Door de warme winter was de natuur twee weken vroeger dan normaal.

Toen werd het 5 april. „Natuur drie weken later dan in 2014” heette het opeens. De temperaturen in februari en maart waren normaal geweest en daardoor was het contrast met het vorig jaar heel groot. Vorig jaar raakten eiken en beuken al in de eerste week van april in blad, nu moesten we nog twee weken wachten op de bladontplooiing. Maar de witte paardenkastanje en wilde lijsterbes waren al volop bezig. En veel vogels gingen hun eerste ei leggen. Berken zouden pollen lozen. En er zou nog veel meer gebeuren.

Is het nu vroeger of later, dacht de niezende thuiswetenschapper die het een zorg zal zijn of hij door elzen of berken wordt belaagd. En wat is dat eigenlijk: ‘de natuur’ en zit daar wel systeem in? Wat is ‘normaal’?

Het kortste antwoord dat hij kreeg was: de natuur is dit jaar vroeger dan vroeger maar later dan laatst. En onder ‘de natuur’ verstaan we voor de gelegenheid het aanzien van bomen en struiken en de toestand van hun bladknoppen.

De discrepantie tussen de twee berichten, die beide van de ‘Natuurkalender’ in Wageningen kwamen, is minder groot dan het lijkt. In 2014 beleefde Nederland een krankzinnig voorjaar met krankzinnig hoge temperaturen en een krankzinnig vroege bladontplooiing. Ten opzichte van deze uitzonderlijke gebeurtenis ligt het uitlopen van de bomen dit jaar laat. Zelfs komt het wat laat ten opzichte van het gemiddeld moment van uitlopen zoals dat tussen 2001 en 2013 werd vastgesteld. Maar ten opzichte van het gemiddelde van de waarnemingen uit de periode 1894-1968 is het juist weer aan de vroege kant. Want het geval wil dat de bladontplooiing, de bud burst, van kastanje, berk, beuk en eik sinds 2001 gemiddeld genomen zo’n 9 à 10 dagen eerder komt dan in de waarnemingsreeks die in 1968 eindigde.

Het werd vorig jaar beschreven in Regional Environmental Change. Onderzoekers uit Wageningen en Nijmegen, aangevoerd door bioloog Arnold van Vliet, presenteerden toen de uitkomsten van langlopend fenologisch onderzoek aan een vijftigtal Nederlandse bomen, struiken en kruiden: wanneer raakten ze in blad, wanneer gingen ze bloeien en wanneer waren de vruchten rijp. Ze baseerden zich op historische gegevens teruggaand tot 1868, maar verwerkten ook de waarnemingen van de 7.800 goed geïnstrueerde vrijwilligers die sinds 2001 het wel-en-wee van de natuur in de gaten houden. Arnold van Vliet is de motor achter dit ‘fenologisch waarnemersnetwerk’ dat Natuurkalender heet.

De uitkomst van de analyse is schokkend. In de eeuw die verliep tussen 1868 en 1968 heeft zich geen enkele trend ontwikkeld in het moment van bladontplooiing enzovoort. Het ene jaar bloeide het speenkruid wat vroeger dan anders, het andere jaar raakten de eiken wat later in blad, maar een systematische verschuiving werd nooit zichtbaar. Toen dit na die honderd jaar wel zo’n beetje duidelijk was, raakte het Nederlandse fenologisch veldwerk in de versukkeling.

Het veranderde toen de Natuurkalender in 2001 met zijn registratie begon. Na de waarnemingspauze van ruim dertig jaar bleek er opeens verbijsterend veel veranderd in de natuur. Soorten als de hazelaar, de brem, het speenkruid en het sneeuwklokje blijken inmiddels drie weken eerder in bloei te raken dan vroeger. Voor de sleedoorn is – onder voorbehoud – zelfs een hele maand vervroeging genoteerd. Er is geen plant of boom die aan het fenomeen ontsnapt, zelfs de witte waterlelie, die toch in dat koude water staat, lijkt een paar dagen eerder te gaan bloeien.

Het zit hem – natuurlijk – in de klimaatverandering die rond 1975 intrad. Statistisch onderzoek toonde een sterk sturende invloed van de luchttemperatuur aan. Een rol van de bodemtemperatuur of die van meer of minder droogte is veel minder duidelijk of ontbreekt.

Zo sterk is de relatie met de luchttemperatuur dat het mogelijk is om het ontluiken of bloeien van een gewas enigszins te voorspellen aan de hand van het aantal warme uren dat het al heeft ondergaan. In de bosbouw is men gewend de ‘bud burst’ te relateren aan het aantal uren dat de luchttemperatuur na 1 januari hoger was dan 5 graden. Veel beuken in Duitsland lopen uit als ze 9.750 van zulke graaduren hebben gehad. De Natuurkalender definieerde zijn graaduren wat anders.

De behoefte aan een bepaald aantal graaduren om tot bladontplooiing te komen blijkt genetisch bepaald en kan van individu tot individu verschillen. Je ziet soms lindelanen met linden die allemaal op precies dezelfde dag in blad raken – op één linde na. Dat is een stek van een andere boom geweest.

Verwarrend is dat beuken uit Oost-Europa, en beuken die op grote hoogte groeien, maar heel weinig graaduren nodig hebben, dat is evolutionair zo gegroeid. Haal je ze naar laagvlakten in het westen dan raken ze daar altijd heel vroeg in blad. Haal je er erg veel naar het westen dan verpest je je hele fenologie. Misschien is de sleedoorn zoiets overkomen.