Uitzichten

S. Montag

Onder druk van het mooie weer besloot ik aan het begin van deze week een tramreis te maken. Met een aantal willekeurige lijnen een groot blok door de stad. Veel mensen denken dat je door mooi weer wordt verleid en dat daar niets aan valt te doen. Ze hebben gelijk.

Verleiden is een liefelijke vorm van commanderen. Als je wekenlang de harde koude wind hebt gevoeld en dan opeens is het weer plotseling revolutionair veranderd, valt er geen weerstand te bieden. Je moet. Maar waarheen? Dat wordt door het toeval in je hersenen geregeld. Het reisdoel komt er in de loop van zo’n expeditie vanzelf bij en als je onderweg bent kan het ook nog veranderen.

Ik wilde naar het Olympisch Stadion, de schepping van de architect Jan Wils. Ten eerste om dat historische bouwwerk weer eens te zien, en ook omdat er in de directe omgeving voor je ogen veel te beleven valt. De Citroën-garage, het Portiershuisje, het Stadionplein, kortom de nieuwe grote stad zoals de mensen zich die bijna een eeuw geleden voorstelden en die daar nu al sinds 1928 staat. Dus in lijn 24. Ik verheugde me.

Het weerzien met bekende buurten van vroeger veroorzaakt op zichzelf al een eigenaardig plezier, grenzend aan een gevoel van geluk, maar dat is het niet. Hier heb ik lang gewoond. Ik herkende alles uit een afgesloten verleden. En daar, op het Minervaplein heeft een telefooncel gestaan. Die is weg, zoals alle telefooncellen; achterhaald door de onstuitbare vooruitgang. Er is langzamerhand een generatie volwassen geworden die niet meer weet wat je bedoelt. Een cel met telefoon in de gevangenis? Nee. Een telefooncel is een glazen gebouwtje, vloeroppervlak iets meer dan een vierkante meter, met een publieke telefoon. Je moest een muntje in een gleuf stoppen en dan kon je telefoneren. De meeste mensen gebruikten een kwartje, maar met een Amerikaanse cent ging het ook. Overal in de stad stonden telefooncellen.

Steeds meer mensen wilden in een cel telefoneren. Maar daar stond al iemand. Die was lang van stof. Zaktelefoons waren er nog niet. De wachtende begon in dringende tred om de cel heen te lopen, bonsde op het glas. Degene die binnen was maakte kalmerende gebaren. Escalatie die kon eindigen in een vechtpartij. Ook waren er jongeren die de telefoon van de draad rukten. Je ging met een dringende boodschap de cel binnen en daar zag je een draad in de lucht bungelen.

Ook ontstond er onder de jeugd een wedstrijd, het telefooncelpersen. Met hoeveel tegelijk kun je in een cel? Ik geloof dat veertien had maximum was. Allemaal goeie ouwe tijd. Is er een museum met een historische telefooncel? In het Stedelijk heb je The Beanery, een kroeg in Los Angeles, gemaakt door Edward Kienholz in 1965. Prachtig. Een telefooncel lijkt me een goed idee.

Lijn 24 bereikte het Olympiaplein. Eerst ging ik naar het Portiershuisje. Een jaar of wat geleden dreigde het te worden afgebroken, maar er kwam een actie, het werd gered, maar het moest een meter of twintig worden verplaatst. Dat is gelukt. Ik heb even door het raam gekeken. Een prachtig huisje waar je nu een feestje of een receptie kunt houden. En daarna terug naar het Plein.

Wat is daar gebeurd? Het was een mooie stedelijke ruimte, volgens de denkbeelden van Berlage, met een eettentje van Febo, nog zo’n oase voor de mens die dorst en trek heeft, en aan de rand tegenover het Stadion een levendige rij winkeltjes en café’s. Nu is het een woestenij waar volgens de nieuwste plannen twee kolossale gebouwen zullen worden neergezet. Plein verdwenen.

Maar gelukkig zijn er protesten, De architect ir. F.A. Schoen heeft, gesteund door een aantal toegewijde Amsterdammers, de strijd met de plannenmakers aangebonden. Zo heeft Berlage het niet bedoeld. Ik kan erover meepraten. Ik woon aan een vijfsprong van grachten en kanalen. Prachtig uitzicht? Nee. Voor mijn neus staat een benzinepomp.