Stap in een schilderij

John Jansen van Galen wandelt door de landschappen van Hollandse meesters en ziet dat er weinig verloren is gegaan.

De trekvliet vanJ.H. Weissenbruch uit 1870, olieverf, 95 x 129 cm, Gemeentemuseum Den Haag

Ga eerst naar het museum en zie hoe Hollandse schilders het land anderhalve eeuw geleden schilderden: ruig, woest en romantisch. Voordat u nu verzucht hoeveel sedertdien verloren ging, doet u er goed aan de heide bij Wolfheze over te wandelen, te zien hoe de breed uitwaaierende takken van een eenzame eik afsteken tegen de blauwe lucht, af te dalen naar de beek, haar stroom te volgen langs de majestueuze Wodanseiken en met verwondering vast te stellen dat er helemaal niet zoveel veranderd lijkt sedert Matthijs Maris en J.W. Bilders hier hun schetsen maakten. Ja, akkoord: er liggen nu bruggetjes over die beek, op bomen prijken markeringen van wandelroutes en in je oren zoemt de A50 die tegenwoordig (overbrugd door een ecoduct) de heide doorsnijdt, maar voor het overige bevindt u zich in een ouderwets, nauwelijks aangetast landschap, idyllisch en ja, romantisch.

Of peddel om de Nieuwkoopse Plassen heen en stap hier en daar af om in de natte wildernisjes terzijde van het fietspad door te dringen. De zompige Wensveense polder ligt er (als je met de rug naar de nieuwbouw van Woerdense Verlaat staat) nog net zo bij als toen J.H. Weissenbruch, Willem Roelofs, Anton Mauve en de drie broers Maris zich lieten inspireren door de rietlanden en de watergangen van de droogmakerijen; de molen die Paul Gabriël schilderde staat nog fier aan de ringvaart.

De inpolderingen waren toen, halverwege de negentiende eeuw, van recente datum. Ze maakten Nieuwkoop en Noorden, voorheen algeheel door moeras omgeven dorpjes, voor het eerst bereikbaar en de eersten die erop af kwamen waren schilders. Ze ontdekten een paradijs en hielden het angstvallig voor zichzelf: Roelofs jokte dat hij in Woerden of bij Zwammerdam geschilderd had. Je kunt het je voorstellen als je nu vanaf de stille Hollandse kade uitkijkt over het gemaaide riet dat in schoven op de legakkers ligt, met daarachter in de verte de kerktorentjes van de dorpen aan de plas.

Helaas hadden we voor onze voettocht rond de plassen een dag uitgekozen die grauw en guur was, zodat het spel van luchten, wolken, zon en wind waar de schilders het van moesten hebben vergrijsde, maar de wijde gezichten over watervlakten, het geblaat van schapen dat ons begeleidde, de rijen knotwilgen, de lepelaars en zelfs, op het kerkhof van Nieuwkoop een fazant, maakten het gemis goed. Plus, halverwege, de verse appeltaart in buitenplaats De Blauwe Meije.

Maar voor de wandeling in Wolfheze hadden we mooi weer zodat we de zon precies zo op de berkenstammen en in het glasheldere water van de beken zagen spelen als ooit de schilders van de Oosterbeekse school het gezien moeten hebben. Langs grafheuvels liepen we naar de plaats waar de middelste Maris zat toen hij het beekdal en de hoeve van Laag Wolfheze schilderde.

We hadden weinig zin terug te keren naar het station en volgden de waterlopen omlaag naar de stuwwal en de uiterwaarden langs de Rijn, waar Anton Mauve al blaarkoppen moet hebben vereeuwigd, en liepen over het landgoed De Hemelse Berg het dorp in dat zijn naam gaf aan een kleine school schilders (waarover u alles kunt lezen in het boek Je moet hier zijn geweest van Willem de Bruin).

In Nieuwkoop waren we aan het eind van de dag vernikkeld, we gluurden nog even binnen bij herberg ’t Vliegend Paard, waar de kunstenaars het glas hieven, en schuilden tegen de kou in de Albert Heijn, in afwachting van de bus naar Alphen aan een andere Rijn.

Ach, er is sindsdien veel verzwolgen door de vooruitgang maar op zulke schilderachtige omzwervingen door de domeinen van Natuurmonumenten word je je ervan bewust hoe veel er gelukkig nog is. Moe en dankbaar keer je huiswaarts.