Niet meer bang voor beleggen

Sparen met de huidige lage rente beu? Een optie is om over te stappen op beleggen. Dat kan aardig veilig zijn, als je kiest voor periodiek beleggen of dividendbeleggen.

Illustratie XF&M

Sparen levert bar weinig op. Rabobank dook in maart als eerste bank onder de 1 procent, met een spaartarief van 0,9 procent, en ook ABN en ING zijn afgelopen week de 1-procentsgrens gepasseerd. Heb je meer dan 21.330 euro gespaard, dan moet je over alles daarboven 1,2 procent vermogensrendementsbelasting betalen. Dat betekent dat je er botweg op achteruitgaat.

Zelfs de meest onverstoorbare spaarders krabt zich onderhand dus regelmatig achter het oor. En daar zijn er nog heel wat van. Volgens de Bond voor Belastingbetalers hebben 800.000 huishoudens een bedrag op hun spaarrekening staan boven de fiscale grens van 21.330 euro per persoon. Tijd om dat geld tegen gunstiger voorwaarden weg te zetten?

Iedere financiële adviseur heeft mooie staatjes die zouden aantonen hoeveel méér een beleggingsportefeuille oplevert dan een spaarrekening. Zo ook Peter Siks, die voor BinckBank trainingen geeft aan particuliere beleggers. Hij vergeleek de twee vanaf 1973 tot 2013, in twee periodes van elk 25 jaar. Dat is volgens hem de ideale termijn om een beleggingsportefeuille te laten renderen, dan is er genoeg tijd om koersdalingen te compenseren. Zijn bevinding: in de kwart eeuw waarin aandelen en obligaties het beste presteerden (van 1973 tot 1998) leverden zij ongeveer vier keer zoveel op als een spaarrekening. In de 25 jaar dat zij het minste rendeerden (van 1988 tot 2013) was dat bijna het dubbele (zie rekensom 1).

Dat zijn mooie resultaten. Maar sparen geldt als veel veiliger dan beleggen. Wat het niet is, volgens financieel planner Ramón Wernsen. Het gaat erom je beleggingsportefeuille goed te spreiden over aandelen en obligaties, en ze in elk geval tien à vijftien jaar aan te houden. Als de koersen tijdelijk zwaar dalen, is er genoeg tijd om dat weer goed te maken, aldus Wernsen.

Fraaie berekening

Het risico op de langere termijn neemt daardoor volgens hem af. „Terwijl bij je spaargeld juist geldt dat het risico dat dit minder waard wordt door de jaren heen toeneemt – door inflatie en de vermogensrendementsheffing. In het gunstigste geval houd je je vermogen in stand. Maar waarschijnlijk teer je er op in.”

Ook Wernsen heeft een fraaie berekening paraat. Daaruit concludeert hij dat als je twintig jaar een ton spaart of belegt, de minimumopbrengsten elkaar nauwelijks ontlopen. Maar de kans op een beter resultaat is bij beleggen wel beduidend groter, becijferde hij (zie rekensom 2).

Lange termijn is bij beide experts het codewoord. Siks van BinckBank: „Wil je alleen een gokje wagen en terugkeren naar de spaarrekening zodra de rente weer 2 procent is, blijf dan lekker sparen. Een goed rendement behaal je door zo saai en degelijk mogelijk te beleggen.”

Dat betekent: een portefeuille minimaal tien jaar aanhouden en het risico spreiden door te kiezen voor verschillende belegingscategorieën, sectoren en regio’s.

Als je sparen inruilt voor beleggen, is er nog een manier om het risico te beperken. Leg niet één groot bedrag ineens in bijvoorbeeld een aandelenfonds in, maar stort elke maand een klein bedrag. Zeker in het huidige marktklimaat is periodiek beleggen, zoals deze methode heet, een uitkomst. De koersen van aandelen en obligaties zijn de laatste jaren immers erg opgelopen. En het is maar de vraag of zij de komende tijd verder stijgen. Wachten op een koersval dan maar? Dat wordt lastig: precies het juiste moment bepalen voor een aankoop is volgens beursdeskundigen vrijwel ondoenlijk. Periodiek beleggen ondervangt dit probleem.

Middelen

Stel, je belegt elke maand 200 euro in dezelfde verzameling aandelen en obligaties. Dan koop je automatisch weinig stukken op het moment dat ze duur zijn en meer stukken als zij tegen een lagere prijs staan genoteerd. Zo demp je de koersverschillen – middelen heet dat.

Periodiek beleggen kan bij verschillende banken, zoals ING, ABN Amro, Triodos Bank, Meesman en BinckBank. Zij hebben een wisselend aanbod aan beleggingsfondsen of indextrackers (ook wel ETF’s genoemd).

Voor de laatste beleggingssoort heeft Siks een sterke voorkeur. Trackers zijn mandjes met effecten die gelijk zijn aan die in een index – bijvoorbeeld een wereldwijde aandelenindex of obligatie-index. Gunstig zijn hun lage kosten. Kost een doorsnee-indextracker rond 0,2 procent, voor een breed gespreid beleggingsfonds betaal je rond de 1,2 procent. En die hogere kosten worden meestal niet gecompenseerd door de expertise van de fondsbeheerder. Dat blijkt keer op keer uit onderzoek.

Om een indruk te krijgen van het effect van hogere kosten berekende Siks wat een investering van 200 euro per maand oplevert. Daarbij ging hij uit van een portefeuille met aandelen en obligaties en een gemiddeld rendement van 6 procent per jaar. Dat is grofweg de gemiddelde opbrengst van de afgelopen veertig jaar en lijkt een redelijke aanname.

Dividendbeleggen

Met trackers sta je na 15 jaar en een totale inleg van 36.000 euro (15 x 2.400 euro) op 56.732 euro en met beleggingsfondsen op 52.333 euro. Het verschil is dus ruim 4.000 euro. Van deze bedragen moeten de kosten nog af die de bank je in rekening brengt.

Meestal is maandelijks inleggen gratis, maar berekent de bank voor aanpassingen in je portefeuille transactiekosten – van 0,2 à 0,25 procent van de transactiewaarde. Ook is een jaarlijks tarief over het totaal belegde bedrag gebruikelijk, van 0,15 à 0,3 procent. Reken erop dat je bij trackers ongeveer 0,5 procent van je belegd vermogen per jaar aan kosten betaalt, en bij beleggingsfondsen 1,5 procent.

Wat de invulling van de portefeuille betreft, is Siks van de eenvoudige aanpak: spreid je geld over twee brede indexfondsen. Kies daarbij voor één fonds dat gebaseerd is op een wereldwijde aandelenindex en één op een wereldwijde obligatie-index.

Optie twee voor wie wil overstappen van sparen naar beleggen, zijn beursgenoteerde bedrijven die dividend uitkeren – een jaarlijks extraatje, net als bij sparen. Gemiddeld leveren Europese aandelen op dit moment 3 procent dividend op. Dat is niet groots, maar vergeleken met spaarrente vorstelijk. Voordeel boven sparen is ook dat als de winst groeit, het bedrijf meer dividend uitkeert.

Op dividendplaza.nl staan lijsten van aandelen met de hoogste dividenden. Maar kies wel voor bedrijven met een stabiele inkomstenstroom, die zich bewezen hebben als trouwe dividendbetalers, waarschuwt adviseur beleggingen Paul Linssen van vermogensbank Theodoor Gilissen. „Als je een dividendrendement aantreft van 7 of 8 procent, kan dat komen doordat de koers is gedaald en er twijfels zijn over de houdbaarheid van de winst.” Dan kan de uitkering makkelijk in de knel komen.

Standvastige betalers zijn traditioneel de beursgenoteerde voedingsbedrijven, oliemaatschappijen, vastgoedfondsen en geneesmiddelenproducenten. Al is er geen garantie dat zulke bedrijven het dividend niet abrupt schrappen. Dat gebeurde na het uitbreken van de kredietcrisis bij de van oudsher trouwe financiële sector. Die betaalt pas vanaf 2012 weer mondjesmaat dividend.

Om de houdbaarheid van dividend te beoordelen, kun je kijken naar de rente die obligatiebeleggers eisen van een bedrijf, volgens Jorik van den Bos. Hij beheert voor vermogensbeheerder Kempen Capital Management twee beleggingsfondsen met dividendaandelen. Zijn stelregel: is de rente duidelijk hoger dan bij een branchegenoot, dan hebben obligatiebeleggers blijkbaar minder vertrouwen dat zij hun geld terugkrijgen. „Dan is de kans groter dat het dividend verlaagd wordt.”