Naar het hotel

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit de nieuwe roman van P.F. Thomése, De onderwaterzwemmer.

Geen enkel moment heeft hij het gevoel dat hij greep krijgt op de gebeurtenissen. Ook niet nu hij achteroverleunt op de brandend hete achterbank van de oude, gebutste Peugeot 403 en door de opengedraaide raampjes de hele verzadigde atmosfeer van geluiden, geuren, kleuren rustig op zich in kan laten werken. Het is de regelloosheid die hem treft. De mensen hier respecteren geen grenzen, de kinderen al helemaal niet. Elke keer als de auto moet stoppen, strijken ze als vliegen op hen neer, steken handen, hoofden door de open raampjes.

Hij voelt zich bedreigd en draait het zijne dicht, maar dan nog proppen ze door de laatste kier hun vingers naar binnen.

Op zijn verzoek draaien ook de anderen hun raampjes dicht. Het wordt meteen benauwd in de hete coupé. Zijn rug, zijn billen, zijn benen plakken tegen de achterbank. En geen schone kleren bij me, verdomme. Met terugwerkende kracht haat hij de officier die hen heeft bestolen en hij stelt zich voor hoe ze met gretige vingers hun vakantiekleren doorwoelen, de buit uitstallen en onderling verdelen.

Amadou draait zich vanaf de bestuurdersstoel naar hem toe. ‘Les gens blancs sont très populaires en Afrique, Monsieur.’ Hij zegt het zonder een spoortje ironie.

Met verbijstering ziet hij hoe naast zich op de achterbank Vic zit te genieten van elk moment in dit nieuwe, onbekende land. Zij wel. Ze laat zich overweldigen door de hitte, de stoffige aarde, de ongeremde lichamelijkheid waar ze in terecht zijn gekomen en die in niets herinnert aan thuis. Hij benijdt haar vermogen om vrij te kunnen zijn, zich te verliezen. Hij verliest zichzelf nooit. Hij blijft altijd met zichzelf opgescheept, waar hij ook is. Zelfs hier, in dit niemandsland aan de rand van de woestijn.

Charleville – voordat zijn vrouw de tickets had geboekt, had hij er nooit van gehoord. Het nieuwe beangstigt hem, als hij eerlijk is, het oude is hem vreemd genoeg. Eindelijk maakt de Peugeot vaart, de meerennende plaatselijke bevolking wordt verzwolgen door het opstuivende stof. Hij heeft geen idee waar ze heen gaan, hij hoopt naar een hotel. ‘Va-t-on à l’hôtel?’ roept hij boven het motorgeraas uit.

‘Comme vous voulez, Monsieur.’

‘Maar Tin, zullen we niet eerst in de stad proberen iets van kleren en zo te kopen? We hebben niets, niet eens een tandenborstel.’

Nee, niets hebben ze, alleen wat stinkende ‘vrijetijdskleding’ om het bleke lijf mee te bedekken. Weer vlamt de woede op over het onrecht dat hun door de corrupte beambten op het vliegveld is aangedaan. Hoe kan Vic zich daar zo gemakkelijk overheen zetten, zo… praktisch?

Ook haar woordkeus stoort hem. Alsof woorden als ‘stad’ en ‘kleren kopen’ hier betekenis hebben. Ze rijden over een onverharde weg met links en rechts provisorische bouwsels die al uit elkaar lijken te vallen als je er een blik op werpt.

Hij heeft geen idee waar de jongen hen heen brengt. Naar het hotel, had Amadou bevestigd. Het zal hem benieuwen. Het lijkt hem onwaarschijnlijk dat er iets zal opdoemen wat voldoet aan deze term.

Plotseling verlangt hij heel erg naar huis. Zo naast Vic wil hij er niks van laten merken, van dit kinderachtige heimwee naar een veilig thuis dat allang niet meer bestaat.

Het is haar grote reis, ze heeft hier zo lang naar uitgezien, dat wil hij niet bederven voor haar. Dat heeft hij zich voorgenomen. Het is zijn manier om te tonen hoe belangrijk ze voor hem is. Op de tast zoekt hij, op de achterbank, haar hand. Ze kijkt hem van opzij aan, gelukzalig. ‘Het komt allemaal wel goed, Tin.’ Ze legt haar hoofd op zijn schouder. ‘Het komt allemaal echt wel goed.’

De kamer is bedompt en heet. Of is het zijn eigen lichaamsgeur die hij ruikt? Er moet toch iets open kunnen? Hij wordt gek van de vliegen en beesten die het op hem voorzien hebben, ondanks de ventilator die aanstaat. ‘Ga anders even liggen, lieverd. Even je ogen dichtdoen.’ Maar daar is hij te onrustig voor.

‘En kijk, Nikki hebben we ook nog.’ Ze pakt de ingelijste foto van hun dochter Nicole en kijkt de hotelkamer rond om te zien waar ze het pronkstuk neer zal zetten.

De dochter is haar alles. Ze is het enige kind dat hun werd vergund. Ervoor, erna: niets. Het is voor het eerst dat ze zonder hun schat zijn weggegaan, en dan nog wel meteen zo ellendig ver. Het heeft dan ook heel wat voeten in de aarde gehad voordat ze met z’n tweeën konden vertrekken. Hij wist zeker dat er iets rampzaligs stond te gebeuren. Het vliegtuig zou brandend in zee storten; wilde dieren gingen hen verscheuren en als ze gered werden, zouden ze, gekneveld en gekookt, zonder mes en vork worden opgegeten door kannibalen. Het gaf hem bij het inchecken op Schiphol het omineuze voorgevoel dat hij zijn dochter als eenzame wees achterliet.

Arm, arm kind, wat moest er van haar terechtkomen, alleen op de wereld, zonder haar liefhebbende ouders. Zonder hem vooral, zonder haar beschermende vader. Hij zag haar al staan. Het was daarom beter dat hij ook thuisbleef. Hij wilde uitchecken, gauw terug naar huis, maar daar wilde Vic natuurlijk niets van weten. Dat ga je me niet aandoen, Tin, hier heb ik zo lang naar uitgekeken, ik laat me deze reis niet meer afpakken. Nikki is zestien, kom op zeg, die meid is blij dat ze even van haar oude ouders af is.

Maar daar ging het hem niet om. Natuurlijk is Nikki groot genoeg. Maar is híj groot genoeg om zijn kleine meisje alleen te kunnen laten? Afscheid nemen van je kind is afscheid nemen van je leven zoals het hoort te zijn. Op een dag ben je overbodig geworden. Het is de raket die wordt afgekoppeld zodra de ruimtecapsule is gelanceerd, en verloren terugvalt naar de aarde. Toe Tin, wat doe je weer dramatisch. We gaan maar vier weken, we zijn straks eerder thuis dan je lief is. Ze begreep het niet. Ze begreep niet dat ze allang bezig waren om voorgoed afscheid van hun dochter te nemen.