Ik wil een robot die me begrijpt

„De ideale robot is een mensenfluisteraar”, zegt hoogleraar robotica Vanessa Evers. Ze eet sushi en vertelt hoe ze van robots sociale wezens maakt.

Hoogleraar robotica Vanessa Evers: „De mens zal al snel op z’n minst genegenheid voelen voor techniek die sociaal op ons reageert.” Foto Merlijn Doomernik

Een sushirestaurant op de Zuid-As in Amsterdam. De gps van mijn telefoon meldt dat de bestemming is bereikt. O ja? Ik sta op straat, tussen de twee gebouwen van het World Trade Centre in. Waar is dat restaurant dan? Vanessa Evers, hoogleraar Sociale Robotica mailt dat zij er al is, en belt daarna om te vertellen waar dat dan is. „Kijk links, zie je me zwaaien?” Roltrap op, eerste verdieping, linksaf, in de hoek... Verdomd, daar zit die sushibar. Vanessa Evers (40) – lange krullen, brede lach – is begripvol. „Ik zoek al een kwartier naar de toiletten.”

Aziatische koks zetten gekleurde bordjes met sushi en sashimi op een cirkelvormige lopende band. Eromheen zit een bont gezelschap zakenmensen te lunchen. We kiezen een rustigere tafel. Vanaf hoge barkrukken hebben we uitzicht op de roltrappen. Mensen gaan op en neer, passeren elkaar als vanzelf, zonder botsen of struikelen. Voor een robot, zegt Vanessa Evers, is de mensenwereld onvoorspelbaar en ongestructureerd. „Apparaten, of robots zijn zeer gestructureerd. Je stopt er iets in, en dat voeren ze precies zo uit.” Maar improviseren, of een beetje flexibel omgaan met inconsequent gedrag, dat kunnen ze niet. Nog niet.

Wat zij doet, als hoogleraar aan de Universiteit van Twente, is apparaten leren omgaan met onze chaos. Vanessa Evers pakt het zoutvaatje van tafel en reikt het aan. „De ene mens geeft de ander iets aan. Simpele handeling toch?” Niet voor een robot. Te veel onzekere factoren. Pakt de ontvanger het vaatje met links of met rechts aan? Die variabele valt nog te programmeren. Neemt de ontvanger van het zout toevallig net een hap? Een mens weet dan dat het niet handig is om iets aan te geven. Maar hoe leg je dat uit aan een robot? Wil de ander halverwege de handeling toch liever het pepervaatje? Dan loopt ook alles in het honderd. „Als we willen dat een robot onze taken overneemt, dan moet hij met ons kunnen samenwerken. En om te kunnen samenwerken, moet hij ons begrijpen.”

Vanessa Evers leert robots mensen te begrijpen. Ze wil sociaal vaardige, intelligente robots maken die niet alleen weten hoe we doen, maar ook hoe wij denken. Aan haar faculteit in Twente werken, naast natuurlijk techneuten, ook psychologen, onderwijskundigen en gedragswetenschappers. „We onderzoeken of er universele wetmatigheden zijn in menselijk gedrag.” Zijn die er? Evers aarzelt: „Dat is dus de vraag.” Ze deed, toen ze nog aan de Universiteit van Amsterdam werkte, onderzoek naar speeddaten. Ze keek welke factoren het best voorspelden of het stel aan het eind van de date telefoonnummers uit zou wisselen. Is dat als ze een goed gesprek voeren? Als ze lachten? Als ze elkaar aanraken? „Het is de ruimte die ze tussen elkaar laten. Of ze regelmatig naar elkaar toe schuiven en dan weer uit elkaar. Dat is de doorslaggevende factor.”

Menselijk gedrag is subtiel en indirect, verloopt volgens regels die nergens staan, maar die je wel moet kennen. Vanessa Evers groeide op in Nigeria. Haar vader werkte er voor een wegenbouwbedrijf, zij was enig kind. „Achter ons huis begon de woestijn. Rondtrekkende nomaden sloegen hun kampen op in onze tuin. Met hun kinderen speelde ik.” Haar moeder vond het mooi geweest in Afrika, ze kreeg heimwee. „We verhuisden naar Brabant, ik ging naar de basisschool in Steenbergen. Die kinderen, ik begreep niks van hoe ze deden.” Ze heeft, door heel goed te kijken, geleerd net zo te doen als de anderen.

Star Wars

Even voor de duidelijkheid: een robot is geen mens, en hoeft er ook niet zo uit te zien. Liever niet zelfs, want er zijn veel efficiëntere gedaantes denkbaar dan een romp op twee stokjes. „Veel mensen denken bij robots meteen aan de humanoïde figuren uit Star Trek of Star Wars.” Elk voorwerp kan een robot zijn: een zelfrijdende auto, een bed dat je helpt opstaan, een vuilnisbak die zichzelf naar de straatkant rolt als er niks meer bij kan.” Maar, zegt Evers, niet alles met een schermpje dat ‘uit zichzelf’ beweegt, is een robot. „Voor mij moet een robot de omgeving waarnemen, interpreteren, een beslissing nemen en dan, op eigen initiatief een handeling verrichten.”

Dat soort robots bestaan al, in fabrieken en laboratoria. „Daar is de omgeving aan de robots aangepast. Ik wil een robot die zich aan de omgeving, aan de mens aanpast.” Dus zegt ze, als haar telefoon rinkelt: „Ik wil een telefoon die snapt dat ik zit te kletsen en me niet stoort.” Maar als het nou dringend is? „Dan verzint ’ie maar een andere manier om me te waarschuwen.”

Ze breekt de houten stokjes los en pikt een rolletje sushi op. Hoe weet een robot welk gedrag gewenst is? „Als we menselijk gedrag in parameters en algoritmes kunnen vertalen, kan een robot dat leren.” Ze noemt het Squirrel-project. Dat is een robot die in een kringetje kinderen staat en leert hoe je speelgoed moet stapelen en sorteren. Ze zet het potje gember op het flesje sojasaus en het zoutvaatje erbovenop. „Wij zien meteen dat dit drie voorwerpen zijn. De robot ziet er één en moet leren dat het losse onderdelen zijn.” De kinderen geven het voorbeeld. Spelenderwijs leert de robot ook herkennen wanneer een kind buiten de groep valt. „De robot zorgt ervoor dat alle kinderen samen spelen en lief voor elkaar zijn.” Kan dat? Ja, knikt ze. „Dat kan.”

Maar, willen we dat ook? Ja, knikt ze weer. Robots zijn nuttig voor de samenleving. In ziekenhuizen: bedden verschonen. In het onderwijs: samenwerken. Op drukke stations: de weg wijzen. In voetbalstadions: voorkomen dat mensen met elkaar op de vuist gaan. Maar wie bepaalt wat wenselijk gedrag voor een robot is en wat niet? Vooralsnog, zegt Evers, zijn dat de techneuten. Zij dus. „Op Schiphol werken we aan een robot die kan helpen bij grote drukte. Passagiers uit China willen nog wel eens zorgen voor vertraging. Reizen is voor hen nog geen routine, ze weten de weg niet, ze vinden de gate niet, missen daardoor hun vlucht. Robots kunnen groepen mensen herkennen en naar de juiste gate brengen. Je kunt ze leren dat een groepje individuen samen een gezin is. Je kunt ze ook leren hoe Chinezen eruit zien. Maar dat doen we maar niet.” Want? Ze aarzelt even: „Dan laat je een robot bevolkingsgroepen selecteren op basis van uiterlijke kenmerken. Lijkt me geen goed idee.” Inmiddels bestaan er ook technologiefilosofen die meedenken over dit soort vragen.

Ze is nu in het World Trade Centre voor een onderzoeksproject, waaraan ook de Vrije Universiteit en de Hogeschool van Amsterdam meedoen en een aantal technologiebedrijven. „We maken een hardloop-app voor de smartphone.” Je zou toch denken dat er daar voldoende van zijn. Nee, schudt Evers. „Deze app begrijpt de sporter.” Via een heel stel sensoren (geluid, beweging, zicht, gps) wéét de telefoon hoe onze conditie is. Hij hóórt aan onze stem of we vermoeid zijn of gefrustreerd. Hij begrijpt dat we na zes weken rennen onze motivatie verliezen en hij weet ook waarom. „De robot-app zal ons, subtiel en intuïtief, motiveren. Een voorgeprogrammeerd zinnetje als ‘go for it’ werkt onvoldoende. We zijn nu, met hulp van taaltechnologen aan het kijken welke zinnetjes werken en welke niet.”

Nee, schudt ze. Ze loopt niet hard. Niet meer. Ze rijdt sinds kort weer paard. In de buurt van Enschede heeft ze een ‘leasepaard’ op stal staan. Ze moest even slikken toen ze hoogleraar werd in Twente. Ze had net een huis gekocht in de Amsterdamse Jordaan, samen met haar vriend die fulltime in Amsterdam werkt. Ze heeft gekozen voor de bossen, de herten en de eekhoorns. Zij woont, met hun dochter van 7 en zoon van 5, in Enschede, haar vriend verdeelt zijn week over de twee huizen. Zij reist af en aan naar Amerika en Japan. „Als ik alle mogelijkheden van mijn vak zou benutten, als ik alle internationale conferenties zou willen bezoeken...” Ze schudt haar hoofd. „Mijn leven is een logistieke nachtmerrie. Als je erover gaat nadenken, begin je er niet meer aan.” Ondertussen scrollt ze door haar telefoon en laat een foto zien van Hiroshi Ishiguro, roboticahoogleraar aan de Universiteit van Osaka. Hij heeft een kopie van zichzelf gemaakt, een robot die er precies zo uitziet als hij, met dezelfde mimiek, stem en bewegingen. „Als hij geen zin heeft om veertien uur in een vliegtuig te zitten voor een congres, stuurt hij zijn Geminoid.” Strikt genomen, volgens de definitie van Evers, is deze dubbelganger geen robot. Hij denkt en handelt niet uit zichzelf, maar wordt op afstand door een mens computergestuurd. „Het is een telepresentie-robot.”

Straks zijn er begripvolle robots die weten hoe ze met ons om moeten gaan. Maar, vraag ik, wie zegt dat wij met robots kunnen omgaan? Ze lacht. „De mens zal op z’n minst genegenheid voelen voor techniek die sociaal op ons reageert.” Voor het robothondje dat jaren geleden op de markt kwam, voelden de eigenaars ook affectie. „We zullen denken dat de robot ook om ons geeft.” Eng? Zij vindt van niet. „Soms, als ik op mijn paard zit, en die doet niet wat ik wil, vind ik het een vervelend paard. De paardenfluisteraar zal zeggen: dat paard is niet vervelend, jij pakt hem verkeerd aan. Met technologie is het net zo. Je bent boos op de computer, printer, telefoon omdat die niet doet wat jij wil. Je denkt: dat stomme ding begrijpt me niet. Hoe gaaf is het als een apparaat jou wel begrijpt? De ideale robot is een mensenfluisteraar.”