Het is zinloos uit te zoeken wat waar is en wat niet

Eva Posthuma de Boer (43) schrijft in Ica over een schrijfster die een boek schrijft over een schrijfster die sterk lijkt op Connie Palmen. Het is haar vierde roman. „Op een gegeven moment moest ik het haar wel vertellen.”

Tekst Jessica van Geel Foto Andreas Terlaak

Connie Palmen

„Haar manier van denken fascineert me. Ze schrijft herkenbaar en toch heel filosofisch, bovendien is ze geestig. Connie Palmen kan best verregaande verhandelingen houden en die dan met een grap eindigen. De Vriendschap vond ik meteen al fantastisch, maar ik was echt om met het Boekenweekgeschenk De Erfenis. En IM, dat heb ik in de auto voorgelezen aan mijn man [acteur Frank Lammers] tijdens een tweedaagse rit vanuit Italië naar huis. We hebben samen gejankt. Ik ontmoette haar tijdens mijn eerste Boekenbal. Er was meteen een klik. We dronken samen, rookten samen en maakten een dans. We zijn geen vrienden – we zien elkaar altijd toevallig bij festivals en op feestjes – maar er is wel een bijzondere band. Uiteindelijk besloot ik dat ik haar als hoofdpersoon in mijn boek wilde. Ik bestudeerde haar werk en ik hield een jaar lang dagboeken bij om te onderzoeken wat mijn roman zou moeten gaan behelzen. Palmen schrijft veel over bewondering en daarin vond ik de leidraad voor mijn plot: bewondering van de jonge schrijfster Nadine voor Ica die uiteindelijk doorslaat in obsessie.”

‘It better be good’

„Toen ik het boek aan het schrijven was, vermeed ik Connie Palmen zoveel mogelijk, maar ja, op een gegeven moment moest ik het haar wel vertellen. We zouden elkaar treffen tijdens Film by the Sea in Vlissingen en ik was doodsbenauwd. Ik zag haar al in de zaal zitten bij de openingsfilm, later in de bar wuifde ze naar me, dat ik bij haar moest komen zitten. Haar eerste reactie was: Ik kon erop wachten dat dit me zou overkomen. Het is haar genre, de mengeling van literatuur en werkelijkheid, dus vond ze het ook wel logisch dat het een keer op haar werd toegepast. Ze zei: ‘Ik vind het dapper, je hebt lef en dat moet je hebben als schrijver’. Toen steeg ik natuurlijk een beetje op van de stoel. De volgende ochtend vermaande ze me: It better be good! Maar ik zag ook een glimlach op haar gezicht. Ze heeft het boek nog niet gelezen, ik heb geen idee wat ze er van vindt en ik weet ook niet wat het zal betekenen voor ons contact.”

Grenzeloos

„Voor Palmen-kenners zitten er in Ica veel knipogen naar haar werk, maar het is ook goed te lezen als je Palmen niet kent. Ica ís niet Connie Palmen en ik ben niet Nadine. Sommige dingen zijn waargebeurd, andere dingen niet. Het heeft geen zin om uit te zoeken wat klopt en wat niet. Daar gaat het nu juist om: fictie is grenzeloos. Als auteur mag ik kiezen en ben ik tot niets verplicht. Palmen heeft daarover ook altijd kritiek gehad: haar werk zou geen fictie zijn. Wat een flauwekul. Ze noemt haar genre autobiofictie. Als ik het een roman noem, zegt ze, dan ís het een roman. Dat is wat me fascineert. Kwade geesten opperen dat ik aandacht voor mijn boek probeer te krijgen over de rug van Palmen. Nou ja, denk ik dan, als mijn boek echt zo slecht was, kreeg ik vast niet zoveel aandacht. Wat een onzin. Ik heb echt een retegoed boek geschreven.”

Eva Braun

„De vader van de hoofdpersoon Nadine is kunsthistoricus. In mijn zoektocht op Google naar wat hij als specialisme zou kunnen hebben, kwam ik de Duitse schilder Christian Brod tegen die tijdens de Tweede Wereldoorlog een naaktportret van Eva Braun zou hebben gemaakt. Bizar, toch? Ik zocht verder en kwam erachter dat die hele Brod bedacht is door de hedendaagse kunstenaar Nelle Boer. Hij is dezelfde man die zich een tijd terug voordeed als Marokkaans politicoloog. Dat vind ik zo goed! Ik heb Christian Brod opgevoerd alsof hij echt heeft bestaan. Fictie wordt weer werkelijkheid in fictie.”

Cees Nooteboom

„Mijn ouders hebben altijd hard gewerkt. Mijn vader, fotograaf Eddy Posthuma de Boer, zwierf samen met Cees Nooteboom over de wereld. Hij was er bijna nooit, maar hij belde vaak op en riep door de krakende verbinding heen dat het goed met hem ging en dat hij van ons hield. Ik heb er geen trauma aan overgehouden. Mijn moeder is journalist. Ooit was ze operazangeres, maar met twee kleine kinderen was het toeren niet meer te doen. Vroeger ging ze met mijn vader samen voor de Flying Dutchman [het blad van de KLM] elke maand een week naar een stad in Europa. Dan maakte hij de foto’s en schreef zij de teksten. Mijn zus was al het huis uit en dan zat ik dus een week in de maand alleen thuis. Ik was veertien, vijftien, zestien. Het was zo, ik vond het prima. Ik vond het ook helemaal niet bijzonder wat mijn vader deed toen ik jong was, pas later ben ik gaan zien hoe goed zijn werk is. Cees Nooteboom, díe vond ik beroemd, mijn vader was gewoon mijn vader.”

Rinus aan de Rekstok

„Ik wist totaal niet wat ik wilde worden. Geen fotograaf in ieder geval. Mijn zus fotografeert ook en al dat gelul over fotografie, daar werd ik helemaal gek van thuis. Na het Barlaeus Gymnasium ging ik theaterwetenschappen studeren. Ik weet nog dat bij het eerste college een vrouw in plat Amsterdams vroeg: ‘Wie weet wat je kan worden als je theaterwetenschappen studeert?’ Ik zat in een zaal met driehonderd man en niemand wist het. Haha. Heel gênant. Ik dacht: ik ga hier weg! Binnen een jaar was het bekeken. Daarna rolde ik in het vak van theaterproducent. Ik produceerde voorstellingen van NUHR, ik heb theatercafé Toomler opgericht met Raoul Heertje, ik deed Comedytrain, Parade, dat soort dingen. In Toomler onmoette ik Sanne Wallis de Vries. We hebben samen een boek gemaakt, Rinus aan de Rekstok – wat Amsterdams is voor Jezus aan het kruis. Het waren brieven die we aan elkaar schreven en interviews met mannen over de thema’s uit onze brieven. Mijn redacteur zei dat ik goed kon schrijven en vroeg me of ik niet eens een roman wilde maken. Deze man is gek dacht ik, maar ik was ook erg gevleid. Na een jaar had ik een idee en schreef ik mijn eerste boek.”

Brabantse man

„Ik ben getrouwd met een Brabander. Frank komt uit een dorp en heeft zich er echt aan moeten ontworstelen. Hij dacht dat als je uit Amsterdam komt, zoals ik, dat dan alles makkelijk gaat. Ik had er nooit over nagedacht dat de meeste mensen in Amsterdam niet uit Amsterdam komen en dus een weg hebben moeten afleggen. Toch is het ook voor geboren Amsterdammers niet zo eenvoudig. Er zijn genoeg dramatische verhalen van veelbelovende Barlaeusjongeren die doordraaiden, die psychotisch zijn geworden van het blowen. Ik weet nog dat ik rond mijn twintigste ergens in een portiek een junk tegenkwam: het was gewoon een gozer met wie ik in de klas had gezeten. Jezusmina. Daar lag zo’n veelbelovend kind. Dat werd het onderwerp van mijn debuut Eindeloze Dagen.

Verveling

„Toen Melle net een jaar was, ben ik weggegaan bij zijn vader. Ik was 28, 29. Daarna leerde ik al snel Frank kennen. Melle heeft ook altijd echt bij ons gewoond, dus voor Melle is Frank een vader. Samen hebben we later nog onze dochter Isa gekregen. Het is een actrice. En Melle een gitarist. Je begrijpt dat het voor mij als fladderaar fijn is om te zien dat onze kinderen zoveel richting hebben. Frank en ik zijn nu veertien jaar samen. We hebben elkaar ontmoet in Groningen. Hij organiseerde het cabaretfestival en ik was daar op werkbezoek omdat ik het Leidse festival zou gaan organiseren. We spraken elkaar voor het eerst in de artiestenfoyer. Het was meteen goed. Het klopte. We verstaan elkaar. Nou ja. Tja. Probeer de liefde maar eens uit te leggen.”