Het geheime leven van het Nederlandse werkwoord

Zat! Verdween! Ja, dat is onzin. Maar de gebiedende wijs heeft wel degelijk een verleden tijd. Drie ontdekkingen over werkwoorden in het Nederlands.

Waarom is het ‘Ik heb een uur gewandeld’, maar ‘Ik ben naar Culemborg gewandeld’? En waarom kun je ‘fietsen’ in ‘Jan kwam de tuin in fietsen’ vervangen door ‘gefietst’: ‘Jan kwam de tuin in gefietst?’ Het is maar goed dat de gemiddelde Nederlander zich dit soort vragen niet stelt, want dat zou enorm afleiden van het praten en het luisteren naar anderen. Maar de hardcore taalkundige kan hiervan wakker liggen, zo blijkt uit twee nieuwe, zojuist verschenen delen van de ambitieuze boekenserie Syntax of Dutch (Zinsbouw van het Nederlands).

Maar liefst negen taalkundigen van vier universiteiten hebben aan deze twee delen meegewerkt, onder leiding van Hans Broekhuis van het Meertens Instituut. Beide delen zijn geheel aan het Nederlandse werkwoord gewijd. Ze beschrijven hoe werkwoorden zich in de zin gedragen. Daar hebben de samenstellers 1.200 pagina’s voor uitgetrokken en meer dan 8.000 voorbeeldzinnen bij bedacht.

Over het Nederlandse werkwoord zijn de afgelopen decennia nieuwe ontdekkingen gedaan, die in eerdere grammaticaboeken niet of nauwelijks werden opgemerkt. Zo heeft het Nederlands twee soorten onovergankelijke werkwoorden (werkwoorden die alleen een onderwerp nodig hebben). De gebiedende wijs blijkt een verleden tijd te hebben. En het Nederlands heeft géén hulpwerkwoord van toekomende tijd.

Onovergankelijk

Hoe zit dat met die onovergankelijke werkwoorden? Werkwoorden hebben graag gezelschap. Sommige (de onovergankelijke) hebben genoeg aan alleen een onderwerp: ‘Kees lacht’. Andere (de overgankelijke) hebben er graag nog een lijdend voorwerp bij: ‘Kees ziet een vogel’, of zelfs een meewerkend voorwerp: ‘Kees geeft Marjan een DVD’.

En dan zijn er nog werkwoorden die niet echt behoefte hebben aan een onderwerp, zoals ‘regenen’. In ‘Het regent’ is ‘het’ een leeg onderwerp, het verwijst nergens naar. Regenen wordt daarom een onpersoonlijk werkwoord genoemd.

Het leuke is: in ‘Kees lacht’ kun je het onderwerp ook wegtoveren: ‘Er wordt gelachen’. Die onpersoonlijke passief komt veel voor: ‘Er wordt vergaderd’, ‘Er wordt aangebeld’, ‘Er wordt geprivatiseerd’.

Maar... er zijn werkwoorden waarbij dit niet kan. ‘Er wordt gearriveerd’ klinkt idioot. Net als ‘Er wordt in Syrië veel gesneuveld’. Hoe komt dat? Daar is door taalkundigen twintig jaar over gediscussieerd. Je kunt wel zeggen ‘Lach!’, maar niet ‘Arriveer!’. En ‘Wie zijn die lachers?’ klinkt vrij normaal, terwijl ‘Wie zijn die arriveerders?’ een hopeloze zin is. Blijkbaar doet ‘lachen’ gemakkelijker afstand van zijn onderwerp dan ‘arriveren’.

Het Nederlands heeft een heleboel werkwoorden die zich zo gedragen als ‘arriveren’: ‘gebeuren’, ‘groeien’, ‘sneuvelen’, ‘kapseizen’... Wat opvalt, is dat al die werkwoorden voltooide tijden hebben met ‘zijn’. Het is ‘Hij is gearriveerd’ (maar: ‘Hij heeft gelachen’). En ook qua betekenis hebben deze werkwoorden iets met elkaar gemeen: hun onderwerp verwijst niet naar iemand (of iets) die datgene wat het werkwoord uitdrukt ‘doet’, maar naar iemand (of iets) die dat ‘ondergaat’. Normaal gesproken is die rol weggelegd voor het lijdend voorwerp: In ‘Marieke zoent Kees’ is Kees het lijdend voorwerp dat het zoenen ondergaat.

Het onderwerp van werkwoorden als ‘arriveren’ lijkt in zijn betekenis dus een beetje op een lijdend voorwerp. En daarom gedraagt het zich anders dan het onderwerp van ‘lachen’. Het laat zich niet graag elimineren. Werkwoorden als ‘arriveren’ kunnen ook nooit een lijdend voorwerp krijgen, terwijl werkwoorden als ‘lachen’ dat, onder bijzondere omstandigheden, wel toelaten: ‘Hij lachte zich dood’ – ‘zich’ is het lijdend voorwerp. ‘De gasten arriveerden zich suf die avond’ is onmogelijk Nederlands.

Geen toekomende tijd

Hele generaties Nederlanders zijn opgevoed met het idee dat de Nederlandse taal een verleden, tegenwoordige én toekomende tijd heeft.

Maar hoe ziet die toekomende tijd er dan uit? Wat in de toekomst te gebeuren staat, kan in het Nederlands op drie manieren gezegd worden: met een tegenwoordige tijd (‘Morgen heb ik een vergadering’), met ‘gaan’ (‘Morgen gaan we vergaderen’) en met ‘zullen’ (‘Morgen zal daarover vergaderd worden’).

‘Zullen’ wordt in de grammaticaboeken een hulpwerkwoord van toekomende tijd genoemd. Maar in de praktijk wordt het maar spaarzaam gebruikt. En het heeft nog een andere betekenis: die van waarschijnlijkheid. ‘Dat zal wel een vergissing zijn’, ‘Hij zal nu een jaar of veertig zijn’.

Over ‘zullen’ is al lange tijd een discussie gaande. Is het een werkwoord met twee heel verschillende betekenissen – toekomende tijd naast waarschijnlijkheid – of is een van die betekenissen (toekomende tijd) niet meer dan een afgeleide van de andere betekenis (waarschijnlijkheid).

Is er echt zo’n groot verschil tussen de betekenissen van ‘zal’ in de twee zinnen die hier volgen? ‘Marieke zal dat boek gisteren hebben verstuurd’. ‘Marieke zal dat boek morgen versturen’. Volgens de samenstellers van Syntax of Dutch is dat verschil er nauwelijks. Bovendien, als ‘zullen’ echt een werkwoord van toekomende tijd was geweest, zou ‘Morgen zal de zon opkomen’ een normaal klinkende zin moeten zijn, wat het niet is. (Terwijl ‘Morgen zal de zon om 6.15 uur opkomen’ wel heel normaal klinkt.) Het Nederlands heeft, als je er puur syntactisch naar kijkt, maar twee werkwoordstijden: de tegenwoordige tijd (‘Ik lach’) en de verleden tijd (‘Ik lachte’). En die verleden tijd kun je soms óók voor de toekomst gebruiken: ‘Je kwam morgen toch?’, ‘Wie kwam er morgen ook al weer?’

Gebiedende wijs

Tot slot de gebiedende wijs (‘Eet!’, ‘Blijf!’, ‘Kom!’). Die heeft in het Nederlands graag gezelschap van kleine bijwoordjes, die ook wel partikels genoemd worden: ‘Eet maar’, ‘Blijf nog even’, ‘Kom dan!’ Minder bekend bij het grote publiek is dat die gebiedende wijs soms ook een verleden tijd kan zijn: ‘Had dan ook iets gegeten!’, ‘Was dan ook wat langer gebleven!’

Soms kun je een gebiedende wijs combineren met een gewone (bewerende) zin: ‘Spreek hem tegen en je hebt meteen ruzie met hem’. Of: ‘Als hij je niet mag, pak dan je boeltje maar!’ In dat soort zinnen schijn je soms ook een verleden tijd van de gebiedende wijs te kunnen gebruiken. Syntax of Dutch geeft een paar voorbeelden: ‘Kwam maar eens te laat of had je schoenen niet gepoetst, dan kreeg je gelijk straf’. ‘Rookte eens wat minder, dan is die benauwdheid snel over!’ ‘Als hij je niet mocht, pakte dan je boeltje maar!’

Is dat nog wel correct Nederlands? Volgens de samenstellers van Syntax of Dutch zijn dit zinnen die in bestaande teksten zijn aangetroffen. Blijkbaar kan het.