Heimwee naar de dorst

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: Gekortwiekt van Bohumil Hrabal

Illustratie Marieke Knaapen illustratie marike knaapen

‘Dat is zog”, zei ik al in de bierkroes en daarna snoof ik diep en langzaam, mijn verlangen beteugelend om de inhoud van die driedubbele pul in enen naar binnen te gieten, tergend, maar heerlijk langzaam slikte ik die met zwarte granaat versneden licht-lager door, dat zog, zoals de mouters het noemden, ik dronk dat heel langzaam en liefdevol, precies zoals wanneer iemand op een zomeravond daar ergens achter de brouwerij, op de akkerzoom tussen de roggevelden, zit en op de zoete tonen van een hoorn een weemoedig lied speelt, zo alleen maar voor zichzelf, met gesloten ogen…”

Een tantaluskwelling, dat is het lezen van Gekortwiekt, het eerste deel van een autobiografisch en licht-absurdistisch drieluik van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal (1914-1997) over een „stadje waar de tijd is stil blijven staan”. Hrabals heldin is de vrijgevochten vrouw van de rentmeester van een brouwerij en verzot op bier, dat met kannen tegelijk wordt verzwolgen. Ze lijkt op haar schepper, want ook voor Hrabal was bier lust en leven. Als stiefzoon van een brouwerijmanager was hij gepokt en gemazeld in de Tsjechische biercultuur, waarover hij jaloers- en vooral dorstigmakend in bijna al zijn boeken schreef. „Het grootste plezier”, noteerde hij in de autobiografische tekst ‘Autootje’, „beleef ik aan kelners die zodra ze mij zien, mijn dorst vriendschappelijk inschatten en me een glas versgetapt pilsener brengen en tot bij mijn hand schuiven.” (vert. Kees Mercks).

Zelf was ik nooit zo van het bier, en zeker niet van lager en pils. Ik verkoos wijn en gedestilleerd en op zijn tijd een ‘bovengistend’ (lees: Belgisch of Engels) biertje. Voor Heineken en Amstel en zelfs Grolsch haalde ik mijn neus op – tenzij het erg warm was en ik onlesbare dorst had. Gewoon bier smaakte nergens naar, en als ik het bij het eten dronk kreeg ik er een opgeblazen gevoel van, dat de hele avond niet wegging. Hoewel ik mettertijd de smaak van frisse Duitse pilseners (Gebraut nach dem Deutschen Reinheitsgebot) ben gaan waarderen, bleef mijn bierconsumptie beperkt tot een of twee trappistenbiertjes per week.

En toen kwam de ALS. Ik wist wat me te wachten stond op het gebied van motoriek, ademhaling en slikvermogen, maar niemand waarschuwde me voor de collateral damage: het veranderen van mijn smaak. Alle dokters zeggen troostend dat je hersens en je zintuigen door de sclerose niet worden aangetast, en toch kon ik binnen een paar maanden geen meelproducten, koffie en rode wijn meer verdragen. Een waterscheiding was de avond dat een vriendin een zeldzame oude bourgogne had meegenomen. Ik mocht voorproeven; het bouquet was verrukkelijk, maar de eerste slok trok als een zure golf door mijn mond. Ik dacht oprecht dat de wijn bedorven was; de anderen hadden er geen enkel probleem mee. Integendeel.

Weer een paar maanden later smaakten ook witte wijn, rosé en bubbeltjeswijn me niet meer. Ik stapte over op Aperol en Crodino bij de borrel en tripel- of quadrupelbier bij het eten. Hoe hoger het alcoholpercentage, hoe beter het overeenstemde met de gerechten, althans dat beeldde ik me in. Ironisch genoeg ontwikkelde ik vervolgens een aversie tegen hoogalcoholische drank (te scherp in mijn keel), waarna bovendien de serieuze slikproblemen begonnen, en dus eindigde ik al gauw met alcoholarme en alcoholvrije bieren die bovendien mondjesmaat genuttigd moesten worden. De helft van de lol van het bierdrinken, een pul gulzig leegklokken met wat Hrabal omschrijft als ‘een prachtige dorst’, was daarmee ook verdwenen.

Sinds een maand of drie drink ik helemaal niets meer – in de eerste plaats omdat ik me steeds vaker verslikte in zelfs de kleinste slokjes, daarnaast omdat ik merkte dat iedere vloeistof – zelfs water – in mijn mond een chemische reactie veroorzaakt die zorgt voor overmatig dik slijm. Mijn water en voeding krijg ik ingespoten in mijn maag en my drinking days are over. Als je nu een glas voor mijn neus ziet staan zijn er twee mogelijkheden: ik spuug er zo discreet mogelijk overtollig slijm in weg, of ik heb er een bodempje wijn of whisky in om op te snuiven. Want met mijn reuk is inderdaad niets mis.

Ik ben er aan gewend, zoals ik ook manmoedig kan afzien van de delicatessen van vroeger: asperges, boerenbrood met beemster, chocola, frambozen met slagroom, haas, jacobsschelpen, kaasfondue, meloen, patat mèt, rauwe tonijn, vissoep met rouille. Alles kan ik verdragen: het longdrinkglas gemberlimonade, de caipirinha met passievrucht, de flûte champagne kan ik met droge ogen door anderen gesavoureerd zien worden, daar ben ik werkelijk hard in. Maar een goudgeel pilsje, net uit de fles, opwaarts parelend, in een glas vochtig van de condens, nee. Dan verwens ik een moment mijn lot en besef ik dat zelfs de beste bierbeschrijving van Hrabal niet kan compenseren waarnaar ik hunker. „Ik dompelde mijn neusje in het schuim, tilde mijn hand als voor een eed omhoog en dronk langzaam en genietend van die zoete drank en toen ik het glas leeg had, veegde ik met mijn wijsvingertje mijn lippen af.”