Heel veel moeite voor een neptrekduif of een mammoetderivaat

Uitsterven hoeft niet voor altijd te zijn. Zolang iemand wat weefsel van het uitgestorven dier in een vriezer bewaart, of erin slaagt DNA uit een bot te peuteren, is er nog hoop.

Dat is de boodschap van How to clone a mammoth van Beth Shapiro. Shapiro maakt deel uit van een jonge beweging die met moderne DNA-technieken uitgestorven soorten weer tot leven wil wekken. De-extinction, noemen ze dit zelf. Letterlijk: ‘ontuitsterven’.

Shapiro is de gedroomde auteur van dit boek. Ze stond met haar voeten in de Siberische modder om mammoetbeenderen op te graven. In haar lab isoleert ze DNA-sequenties van de uitgestorven trekduif. Shapiro schreef How to clone a mammoth als een handboek. Zet de titels van de hoofdstukken achter elkaar, en ontuitsterven klinkt als een peuleschil. Kies een soort. Reconstrueer het genoom. Maak een kloon. Maak er meer van. Laat ze los.

Shapiro weet dat ontuitsterven niet zo simpel is. Ze leidt de lezer langs alle valkuilen die beletten dat we de trekduif en Spaanse berggeit weer tot leven wekken. Maar één uitgestorven dier torent in How to clone a mammoth boven alle andere uit: de mammoet.

Luister niet naar de wetenschappers die beweren dat ze een bevroren mammoeten klonen, zegt Shapiro. Daarvoor hebben ze een levende mammoetcel nodig, met een intacte celkern. Zelfs in de best bewaarde, meest diepgevroren mammoet zijn alle cellen morsdood.

Een mammoet kloon je niet, je knipt en plakt hem in elkaar, met de olifant als voorbeeldplaatje. Met DNA-technieken die synthetisch bioloog George Church van Harvard ontwikkelde, is het mogelijk met chirurgische precisie het genoom te veranderen. Church is van plan mammoetgenen in te bouwen in het olifantengenoom, voor haargroei bijvoorbeeld. Strikt genomen geen mammoet, maar goed genoeg.

Shapiro voorspelt dat Church binnenkort een olifantencel met mammoetgenen aan de wereld zal presenteren. De pers zal hysterisch reageren: de mammoet is terug! Shapiro tempert dat enthousiasme bij voorbaat: er ligt een lange weg tussen een cel en een olifant met mammoettrekjes. Om van een cel een olifant te maken, zijn olifanteneitjes nodig. Die zijn moeilijk te winnen, en bovendien hebben olifanten hun eitjes zelf hard nodig. Misschien zijn muizen zo te manipuleren dat ze olifanteneitjes maken. Misschien.

Theoretisch kan alles wat Shapiro beschrijft, maar ze gebruikt zo veel maybe’s en hopefully’s dat je je als lezer afvraagt waarom wetenschappers al die moeite zouden steken in een mammoetderivaat.

Want ja, waarom willen we de mammoet eigenlijk terug? Natuurherstel is het doel, benadrukt Shapiro keer op keer. Met hun gegraas en gestamp zouden pseudomammoeten de kale Siberische toendra weer kunnen veranderen in de rijke steppe die hij ooit was.

Maar dat is niet het enige doel. Dat wordt duidelijk in Shapiro’s beschrijving van het Heckrund. De Duitse broers Heck fokten dit ras in de jaren 20 en 30. Het rund moest op het oeros uit de ijstijd lijken. Shapiro is kritisch over het Heckrund. Ja, Heckrunderen kunnen goed tegen kou. En ja, ze kunnen leven van een schrale begroeiing, net als de oerossen uit het Pleistoceen.

Maar, schrijft Shapiro, het Heckrund is net iets kleiner dan de oeros. De nek is niet gespierd genoeg. En die hoorns, die krullen net iets te dicht bij de kop en wijzen nét te veel naar buiten.

Dat is dus een puur esthetisch argument – ecologisch voldoet het Heckrund prima. Heimwee lijkt voor Shapiro de echte reden waarom zij en anderen verdwenen dieren willen terugbrengen. Omdat we verlangen naar reuzen die er niet meer zijn. En omdat we het kunnen. Ooit, misschien.