‘Europa moet gewoon terugconcurreren’

De Europese achterstand op het gebied van technologie is een kwestie van mentaliteit, zegt de Chief Internet Evangelist van Google. Hij is één van de grondleggers van het internet.

Foto’s: David van Dam

Veel markanter dan Vint Cerf zijn ze er niet in de technologie-industrie. Hij heeft een nette grijze baard, loopt altijd strak in driedelig pak en in zijn oren steken gehoorapparaatjes. In Silicon Valley, waar capuchontruien de norm zijn en de helden vaak amper 25 jaar oud, valt hij met zijn leeftijd van 71 behoorlijk uit de toon.

En er zijn ook weinig anderen die zo nadrukkelijk hun stempel hebben gedrukt op Silicon Valley – om niet te zeggen op de wereld. Vint Cerf ontwikkelde in 1973 samen met zijn toenmalige collega Bob Kahn een van de belangrijkste fundamenten onder het internet: het TCP/IP-protocol. Daardoor werd het voor computers mogelijk om in netwerken met elkaar te communiceren. Hij is een van de grondleggers van internet.

Sinds 2005 werkt Cerf bij Google onder de opmerkelijke functietitel Chief Internet Evangelist: hij verspreidt het Woord over de kansen en bedreigingen van internet.

Mensen willen gewaardeerd worden

„Ik verbaas me vaak over hoe internet er vandaag uitziet”, zegt Cerf. „Ik ben echt onder de indruk van de hoeveelheid mensen die wilden dat internet van de grond kwam. Er is zo veel tijd, geld en energie ingestoken. Dat verbaast me nog elke dag. En ook hoeveel verschillende bedrijfsmodellen er blijken te werken: gratis, door overheden betaald, gerund door commerciële bedrijven of juist door vrijwilligers. Iedereen kan kiezen hoe hij er invulling aan geeft omdat er geen centrale controle is. Het is compleet bottom-up. Dat zag ik niet aankomen in het begin.”

Verder verbaast hij zich erover hoe graag mensen hun kennis willen delen op internet. „Puur de wetenschap dat informatie nuttig is voor anderen, motiveert mensen ertoe om het online te zetten. Dat laat iets diepmenselijks zien: mensen willen intrinsiek gewaardeerd worden en iets bijdragen. Het is niet altijd even nuttig, maar vaak ook wel.”

Hij weet nog precies wanneer het besef kwam dat internet zo groot en belangrijk zou worden als het nu is. „Ik was op een conferentie in de Verenigde Staten in 1989. Toen ik die conferentie binnenkwam zag ik een stand van het bedrijf Cisco. Ik stond verstijfd op de grond, zo groot was dat ding. ‘Hoeveel kost dat wel niet?!’ vroeg ik. Een kwart miljoen dollar blijkbaar. Toen was wel duidelijk dat er hele grote bedrijven heel veel in wilden investeren om er een succes van te maken.”

Over sommige toepassingen van zijn uitvinding is hij minder te spreken. „Om eerlijk te zijn begrijp ik sociale media niet altijd helemaal. Waarom moeten die mensen dat allemaal met iedereen delen, vraag ik me wel eens af.”

Potentieel gevaarlijke informatie

„De kracht van internet is dat zodra iemand verbonden raakt, hij toegang heeft tot alle rekenkracht, alle informatie. Dat heeft ook een keerzijde: iedereen kan via internet ook bijna overal bij komen waar hij maar wil, ook als dat schadelijk is. Dat moet je op een of andere manier zien te beperken, zeker nu het ‘internet of things’ in opkomst is.”

Dat is Cerfs grootste zorg over het internet: alles gaat online, van auto’s tot smartphones tot huishoudelijke apparaten. En dat heeft grote gevolgen. „Als je verwarming of je deurslot online is, moet je wel zorgen dat alleen jij erbij kan. Het internet of things dwingt ons om daar veel beter over na te denken. Hoeveel mensen zijn er thuis, hoe laat is de auto thuisgekomen? Gevoelige, potentieel gevaarlijke informatie. Die moet beter beschermd worden.”

Achteraf gezien had Cerf dat probleem in het begin meer aandacht moeten geven, vindt hij zelf. „Ik heb het belang van cryptografie onderschat, het beveiligen van communicatie. Toen we ermee bezig waren, in 1977 werd er weliswaar onderzoek gepubliceerd over betere beveiliging, maar toen was ik te gehaast om die inzichten te gebruiken en in te bouwen in onze technologie. Ook daar zijn later andere oplossingen bedacht maar het was beter geweest als we dat vanaf het begin hadden ingebouwd.”

Hij heeft naar eigen zeggen nog een misser begaan bij de start van internet – ook één die te maken heeft met het internet of things. „We hadden veel meer IP-adressen moeten maken. We bouwden in ons protocol ruimte in voor 4,3 miljard verbindingen. In totaal. Dat is nu belachelijk.” De schattingen lopen sterk uiteen maar de meeste technologiebedrijven verwachten dat er de komende jaren minstens tientallen miljarden apparaten een internetverbinding krijgen.

Om dat probleem op te lossen wordt nu een nieuw soort IP-adressen toegekend, IPv6-adressen. Dat is een ingewikkelde en dure operatie. Cerf legt uit hoe ze er destijds bijkwamen dat 4,3 miljard wel genoeg zou zijn. „We waren net klaar met het Darpanet: een nationaal computernetwerk in Amerika. Dat was behoorlijk duur om te bouwen, en we dachten toen dat er maximaal twee netwerken per land zouden komen.” We bedachten ons hoeveel landen er ongeveer op de wereld waren. We gokten maar wat op 128 landen, je had toen nog geen Google om het echte antwoord op te zoeken tenslotte. We dachten dat er per nationaal netwerk misschien hooguit 16 miljoen computers zouden komen, ook een wilde gok. Via een rekensom die rekening hield met de technische eigenschappen van dit soort verbindingen, kwamen wij toen tot 4,3 miljard adressen: ruim genoeg dachten we. Als ik er meer had gemaakt, was ik versleten voor megalomane gek.”

Grote, machtige bedrijven

Had hij de machtsdynamiek op internet verwacht? Ondanks het open karakter zijn er grote, machtige bedrijven ontstaan. Google is daarvan misschien wel het allerbeste voorbeeld. Is dat niet zorgwekkend? „Volgens mij valt het mee met de macht van Google. Ik ben ervan overtuigd dat dit nog lang niet het einde van het verhaal is. Voor Google was er Yahoo, voor Yahoo was er Altavista. En nu zit er weer ergens in een studentenkamer een slimme student iets te bedenken waardoor Google wordt ingehaald. Juist het internet zorgt ervoor dat innovatie zich razendsnel ontwikkelt.”

Vorige week kondigde de Europese Commissie aan dat het een officiële klacht tegen Google indient wegens misbruik van zijn macht wat betreft de zoekmachine. „Ik krab wel op mijn hoofd over die actie van de Commissie. De beste reactie op concurrentie is: terugconcurreren, júist op internet. Jullie hebben hier alles: jullie hebben uitstekende universiteiten, uitstekende technici. Als ik iets gedaan wil hebben, zou ik direct een Nederlandse inge-nieur inhuren.”

„Ik geloof er niks van dat Google te groot zou zijn voor Europese bedrijven om mee te concurreren. Dat zit echt tussen de oren, het is een Europees mentaliteitsprobleem. Je moet je afvragen: waarom zijn er niet meer Nederlandse, Europese bedrijven die snel heel groot worden?”

Dat zit ’m vooral in de houding ten opzichte van falen, denkt Cerf. „In Europa is het zo dat als een bedrijf faalt, de ondernemer gebrandmerkt wordt en geen enkele investeerder meer achter zich krijgt. Dat remt innovatie. In Silicon Valley wordt falen veel beter gewaardeerd. Als een ondernemer een start-up failliet heeft laten gaan, is dat ervaring. Dat is een pluspunt! Dat is in Europa geheel anders. Europa moet hongeriger worden naar risico.”

„Amerika heeft bijvoorbeeld ook totaal ander faillissementsrecht. Waarbij ondernemers veel minder snel hoofdelijk aansprakelijk zijn als ze failliet gaan. Dat zorgt voor veel spannender ondernemen.”

Eigen schuld

„Misschien is het ook wel gewoon jullie eigen schuld. Jullie hebben er zelf eeuwenlang voor gezorgd dat allerlei mensen Europa verlieten naar Amerika. Dat waren de risico-zoekers, de pioniers. Daardoor heeft Amerika misschien een ondernemender genenpool gekregen dan Europa.” Cerf zegt het als een grap, maar er zit een serieuze ondertoon in. Europa moet trotser zijn op zijn eigen successen, vindt hij. „Neem het Nederlandse universitaire netwerk Surfnet. Dat behoort tot de wereldtop, mensen die dat hebben opgezet worden zeer gewaardeerd in de wereldwijde technologiegemeenschap. Maar dat soort successen worden in Europa veel minder vaak omgezet in grote commerciële successen.”

Er zijn nog zoveel kansen de komende jaren, zegt hij. „Een van de allerspannendste dingen vind ik biotechnologie. Er zijn bedrijven, ook Google, die onderzoeken hoe verouderingsprocessen werken en hoe je ze kunt stoppen. Ook aan Harvard vinden er allerlei simulaties plaats van hoe cellen werken en verouderen. Baanbrekend!”

„Het gaat bij die onderzoeken over een einde aan veroudering”. Het woord onsterfelijkheid valt. „Ik ben geboren in 1943, ik word waarschijnlijk niet ouder dan 85 jaar. Maar mensen die nu geboren worden, kunnen makkelijk tot 150 jaar leven. Er zijn heel serieuze mensen die denken dat dat snel richting de 1.000 jaar gaat.”

Vint Cerf gaat de echte doorbraken op dat gebied waarschijnlijk niet meer meemaken. „Daar baal ik soms wel van. Ik zou het niet erg hebben gevonden als ik een paar decennia later was geboren.” Al is het voor de technologische ontwikkeling van de wereld waarschijnlijk maar goed geweest dat hij gewoon in de jaren ’70 rondliep. En hij gewoon toen zijn uitvinding deed.