‘Er is geen reden om bang te zijn’

Annette Herfkens overleefde in 1992 als enige een vliegtuigcrash in Vietnam. Deze week verscheen de Nederlandse vertaling van het boek dat ze erover schreef. „Ik dacht: er komt echt wel iemand zoeken.”

Annette Herfkens. „Het neerstorten was niet eng. Je lijdt niet. Het gaat zo snel. Je vraagt je alleen maar af:what is going on?” Foto Mieke Meesen

Als we eindelijk bij ons vliegtuig zijn aangekomen, zakt de moed me in de schoenen. Het is minuscuul! En ik heb claustrofobie. „Daar stap ik niet in”, roep ik. „Dat kan ik niet en dat weet je!”

Het is 14 november 1992. Annette Herfkens, 31 jaar, obligatiehandelaar, bezoekt haar vriend Willem van der Pas in Vietnam. ‘Pasje’ heeft als verrassing een strandvakantie naar Nha Trang geboekt. Ze stappen op een klein verkeersvliegtuig – een Russische Yak, met plek voor 24 passagiers. Aan boord zijn verder drie stewardessen, twee piloten en een technicus. Nha Trang is 55 minuten vliegen. Vlak voor de landing gaat het mis. Het toestel daalt, alsof het in een luchtzak terecht komt. De motoren accelereren, en dan opnieuw valt het toestel naar beneden. Op vijfentwintig kilometer van de eindbestemming boort de Yak zich in een berghelling. In de dichtbegroeide jungle, op vijftien kilometer van de bewoonde wereld. Iedereen in het vliegtuig zat in de riemen. Behalve Annette Herfkens.

[Ik moet] door de cabine zijn rondgetold als een stuk wasgoed in een droogtrommel, waarbij mijn hoofd en ledematen tegen het plafond, de bagagekastjes en de stoelen knalden. Op een bepaald moment ben ik waarschijnlijk ‘geland’ en onder een stoel geschoven, met mijn benen naar voren. Daar kwam ik klem te zitten, waardoor ik op mijn plaats bleef toen het vliegtuig met een tweede knal in drie stukken uit elkaar scheurde: de cockpit, de tweede vleugel en de romp.

Herfkens – claustrofobisch – wilde haar gordel niet vast doen. Dat kan, zegt ze, haar redding zijn geweest. Als Herfkens haar ogen opent ziet ze haar vriend. „Hij heeft een lieve glimlach rond zijn lippen. Hij is dood.”

Hoe ze het voor elkaar heeft gekregen kan ze zich niet meer voor de geest halen, maar van het ene op het andere moment zit ze buiten, naast het toestel. Op een tapijt van kleine takjes. Ademhalen, bewegen, alles doet pijn. Haar scheenbeen ligt open, ze ziet het bot. Vanuit de cabine klinkt gekreun. Een meisje, dat niet veel later sterft, „met een gebalde vuist” de lucht ingestoken. Naast Herfkens zit een Vietnamees – rechtop. Hij stelt haar in het Engels gerust: hij is een belangrijk man. Er zal zeker naar het toestel gezocht worden. Herfkens, die tijdens de crash haar wikkelrok verloor, krijgt een pantalon uit zijn koffer. Niet veel later sterft ook hij.

En dan wordt het stil.

Annette Herfkens schreef over de vliegtuigcrash een boek. Vorig jaar kwam Turbulence, a True Story of Survival al uit in de Verenigde Staten, waar Herfkens sinds 1995 woont. Ze gaf het zelf uit omdat haar uitgever een gedeelte over haar autistische zoon niet wilde opnemen. Deze week verscheen de Nederlandse vertaling: Turbulentie.

Het is een boek dat begint zoals iedere rampenfilm begint. Een dolverliefd stel dat – hoe klassiek – bijna het vliegtuig mist. En als ze dan op het vliegveld aankomen, verzet Herfkens zich om aan boord te gaan. Het boek neemt vervolgens de ene na de andere onvoorstelbare wending.

Ik kijk naar mijn handen. Wat zijn die zwarte ronde dingen? Korsten? O mijn god, het zijn bloedzuigers! Ik wrijf de ruggen van mijn handen tegen elkaar om ze los te krijgen. Het lukt niet. Niet naar kijken.

Hoe overleef je zoiets? En: hoe krabbel je daarna weer op?

Annette Herfkens (53) ontvangt het bezoek in haar huis in Den Haag. Ze doet de deur open met de telefoon in de hand. Ik hang net op, roept ze. „RTL Late Night.” Terwijl ze tussen de keuken en de eettafel heen en weer beent, gaat ze verder: „Morgen met de trein naar België. Zes interviews. Dan terug. ’s Middags Hart van Nederland. Als ik dan nog leef.” Ze lacht. En dan: „Zeg en wie ben jij? En waar komt dit stuk in?”

Er trekt een circus aan journalisten voorbij deze dagen. Herfkens is maar kort in Nederland. Ze heeft, zegt ze, een jetlag en gisteravond ook te veel gedronken. Etentje met de uitgever. Ganzelever. En veel meer wijn dan ze gewend is. Ze zoekt aspirines. „Iedereen wil even met je praten.” Als ze terugkeert met een zakje pilletjes, zegt ze lachend: „Ik móét een aspirientje. Jij ook?”

U schrijft nogal onderkoeld over de gebeurtenissen. U overweegt bijvoorbeeld niet lang na de crash een sigaretje op te steken.

„Maar zo wás het. Ik heb in het boek precies opgeschreven hoe ik me voelde.”

U schrijft ook dat u om uzelf moet lachen. Dat uitgerekend u, iemand die niet eens het geduld heeft om haar haar te laten föhnen bij de kapper, dagen moet wachten op hulp. Zulke dingen dacht u toen u daar lag?

„Jezelf uitlachen creëert afstand. En: je kunt altijd het mooie en het lelijke zien. En tussen het mooie en het lelijke kiezen.

„Toen ik veel later allerlei overlevingsverhalen ging lezen, bleek dat ik in de jungle precies het overlevings-stappenplan doorlopen had. Stap één: je observeert. Je kijkt: wat is er aan de hand? Dan maak je een plan dat je opdeelt in kleine stapjes. En vervolgens feliciteer je jezelf als je een stapje haalt.”

Als de dorst toeslaat draait Herfkens bolletjes van het isolatieschuim uit het vliegtuig. Die vangen als een spons het regenwater op. Iedere drie uur mag ze van zichzelf een bolletje uitzuigen. Die structuur, en de beloning, daar werd ze, zegt ze, echt „tevreden” van. Zo wás ze gewoon, zegt ze. „Ik leef uit mijn instinct. Wat ik ook niet heb gedaan is huilen. Ik ging voornamelijk met kerels om, ik was handelaar, huilen was voor mij geen optie.”

Waarom niet?

„Omdat je er ontzettende dorst van krijgt.”

Dat is een nogal rationele benadering.

„Ik was natuurlijk handelaar op Wall Street. Daar leer je je emoties wel onder controle houden. Paniek is een soapopera die je in je hoofd maakt. Paniek is wat kán gebeuren. Ik bleef bij wat echt is. Ik zat daar, ik keek om me heen. Ik dacht misschien: ik ben screwed. Maar ik dacht niet: wat zou er kunnen gebeuren? Of: wat had er moeten gebeuren. Niet: ik had nu met mijn vriend op het strand moeten liggen.”

Was dat een manier om hoop te houden?

„Nee, ik had hoop. Constant vertrouwen. Ik dacht: er komt echt wel iemand zoeken. Alleen zou niemand me tot woensdag missen. Ik moest vijf dagen door zien te komen.”

Herfkens slaapt veel. Als ze wakker is kijkt ze naar de blaadjes. Naar een regendruppel waar de zon in schijnt. „Hoe beter ik keek, hoe mooier het werd.”

Maar het moet er ook verschrikkelijk hebben uitgezien om u heen. Wrakstukken. Dode mensen. Heeft u die gezien?

„Ja tuurlijk. Die lagen naast me. Aan Pasje mócht ik van mezelf niet denken. Dan zou ik verzwakken. Maar de andere dode mensen ging ik gewoon bekijken. Waarnemen. Ik had vaker een dode gezien. Zo eng is dat niet. Totdat er maden uitkropen. Toen zei ik: ik moet hier weg. En het ging ongelooflijk stinken. On-ge-loof-lijk. Toen ben ik verderop gaan liggen.”

Twijfelt u wel eens aan uw herinneringen?

„Nee. Alles wat in het boek staat is waar.”

In de jungle duikt op dag 7 een man op met een oranje capuchon. Hij staart naar Herfkens. En zij schreeuwt terug – in alle talen. En dan, net zo plots als hij verscheen, verdwijnt hij weer. Zij denkt dat ze een geest heeft gezien. Hij óók, zo blijkt later.

Op dag 8 keert de ‘oranje man’ terug. Met vijf anderen. Eerst moet Herfkens haar naam op de passagierslijst aanwijzen. Dan binden ze haar in een doek aan een stok, als in een soort hangmat, en dragen haar de jungle in. Ze steken een diepe bergspleet over, en als de zon ondergaat, zetten ze hun tentjes op. Herfkens laten ze – doodsbang – alleen achter bij het vuur. Zo brengt ze de nacht door. Een dag later wordt ze in een jeep geladen, en terwijl ze hobbelend vergaat van de pijn, wordt ze naar de bewoonde wereld gereden. Uiteindelijk belandt ze in een ziekenhuis in Ho Chi Minh-stad – een plek waar de kakkerlakken over de grond krioelen. Ze heeft een klaplong en haar benen, kaak en heupen zijn gebroken. Haar nieren zijn aangetast door het gebrek aan water.

Pas als ruim een week na het ongeluk haar moeder aan haar ziekenhuisbed verschijnt, begint Herfkens te huilen.

Ieder jaar op 14 november herdenkt Annette Herfkens de dood van haar vriend en de dagen in de jungle. Ze houdt acht dagen lang precies bij wat en wanneer ze eet. „Omdat ik dan extra dankbaar ben voor al het eten en drinken op mijn tafel.” In 2006 beklimt ze de berg waartegen het vliegtuig crashte.

Waarom is er nu, na ruim twintig jaar, een boek?

„Ik hou niet van schrijven. Ik was daar ook helemaal niet mee bezig. Ik was bezig met rouwen. Waarom zou je dan een boek schrijven?”

Waarom heeft u het nu wel gedaan?

„Ik zie dat als een soort civiele plicht. Zo ben ik ook nabestaanden gaan bellen in het ziekenhuis. Ik zei: geef me de telefoongids. Ik ben ambassade na ambassade afgegaan. Ik moest ze echt overtuigen dat ik de nabestaanden wilde spreken.”

Wat wilde u ze vertellen?

„Dat het niet eng was. Neerstorten. En dat je niet lijdt. Het gaat zo snel. Je vraagt je alleen maar af: what is going on? Ja sommige mensen gillen, maar meisjes gillen ook als ze een muis zien. Je denkt niet: ik ga dood. Wakker worden is veel erger dan de crash.”

Dat is de troostende boodschap?

„Ja. Ik kan zeggen tegen de weduwen: uw man heeft niet geleden. Ik weet dat. Ik was erbij. Daar was geen tijd voor. Ik heb het geschreven voor die mensen. Voor de nabestaanden van de ramp met de MH17. Voor mensen met lege handen.”

Zoektochten naar het wrak blijken er die acht dagen wel degelijk te zijn geweest. Ramp na ramp stapelde zich op: in het slechte weer is ook de reddingshelikopter neergestort. Acht mensen komen om.

Eenmaal thuis gaat er meer mis. De familie neemt afscheid van Willem van der Pas, maar kort daarop blijkt dat de lichamen van de slachtoffers zijn verwisseld. Herfkens en nabestaanden hebben niet hun Willem begraven – zij stonden bij de kist van een Brits slachtoffer.

Herfkens probeert zo snel mogelijk de draad weer op te pakken. Ze gaat weer aan het werk, verhuist naar New York, trouwt en krijgt twee kinderen. Zoon Maxi is autistisch.

Heeft het ongeluk dingen veranderd?

„Niet alleen het ongeluk, ook de geboorte van Maxi. Voor die tijd had ik een bevoorrecht leven. Ik had wel diepe gesprekken maar geen diep contact. Ik leerde me open te stellen voor anderen. Het leven te nemen zoals het is.

„In de jungle heb ik het allerergste meegemaakt en het allermooiste. Als alle angst voortkomt uit doodsangst, dan kan ik zeggen dat er geen reden is om bang te zijn. Dus één: stop fearing. En twee: sta open, voor anderen, accepteer ze. Zoals ik in de jungle accepteerde wat er was.”