En nu aandacht voor het onechte!

Het is een cliché dat na de industriële revolutie de Nederlandse burgerlijkheid bleef bestaan. Het tegendeel is waar, legt Auke van der Woud uit.

Etalage van een stand van de winkel in jongens- en herenkleding de firma Bervoets, Rotterdam, 1913. Foto Spaarnestad

In het digitale tijdperk is het beeld allesoverheersend geworden, hoor je vaak beweren. Vaak veronderstellen degenen die dit zeggen dat de huidige beeldcultuur van tamelijk recente datum is. De doorbraak ervan verbinden ze met de televisie die ruim een halve eeuw geleden ook de Nederlandse huiskamers bereikte.

In De nieuwe mens. De culturele revolutie in Nederland rond 1900 laat Auke van der Woud zien dat de beeldcultuur al veel eerder, in de laatste decennia van de negentiende eeuw, opkwam. Toen ontstond in West-Europa een nieuwe massacultuur naast de eeuwenoude cultuur van de elite. Anders dan de oude was de nieuwe cultuur niet ideëel en geestelijk, maar materialistisch en fysiek, schrijft hij. De oude cultuur was die van het woord, schouwburgen, musea en andere ‘tempels van verheffing’, de nieuwe die van het beeld, van panorama’s, panopticons, koffiehuizen, passages en warenhuizen.

Al deze, toen nieuwe, verschijnselen leverden ‘panoptische’ ervaringen op: „De panoptische ervaring is indringend, de afstand tussen waarnemer en het waargenomene vervaagt”, schrijft hij alsof het over de virtual reality van games in het digitale tijdperk gaat. „Panoptisch zien is alles zien – scherp, nauwkeurig en zo geconcentreerd dat alle aandacht naar het waargenomene gaat, men verliest zich in het geobserveerde, totdat de blik naar het volgende beeld wegglijdt en het vorige wordt gewist. In de café-restaurants waren de bezoekers vreemden voor elkaar, visuele impressies zonder inhoud, maar tegelijk zo reëel, of zoals de journalist over de wassen beelden in het Panopticum schreef: ‘zoo natuurlijk, dat men, er langs loopende, herhaaldelijk in de verzoeking komt om een der beelden aan te spreken.”

De nieuwe mens is de nieuwste in de reeks studies van Van der Woud over de negentiende eeuw in Nederland. Het laat zich lezen als een vervolg op Een nieuwe wereld uit 2006 waarin Van der Woud, van huis uit architectuurhistoricus, de grote veranderingen beschrijft die in de tweede helft van de negentiende eeuw in Nederland plaatsvonden. In De nieuwe mens laat hij uitvoerig zien hoe de snelle modernisering toen leidde tot een onweerstaanbare ‘cultuur der dingen’. Dit doet hij op vergelijkbare wijze als in Koninkrijk vol sloppen (2010). Rijkelijk citerend uit dagbladen als Het Algemeen Handelsblad, tijdschriften als De Economist en studies als Die Krise der Kultur (1916), wijdt hij korte hoofdstukken aan de uitingen van de nieuwe massacultuur, van panorama’s en winkeletalages tot het baden in zee en de massawoning. Hierbij laat hij nadrukkelijk zien dat de massacultuur niet alleen leidde tot nieuwe, ‘panoptische’ ervaringen waar de massa dol op bleek, maar ook tot onbehagen. Zo betreurden velen de eenvormige massawoningbouw in de negentiende-eeuwse nieuwbouwwijken en de teloorgang van de oude binnensteden waar grachten werden gedempt en brede straten aangelegd. Zoals altijd, gingen modernisering en nostalgie hand in hand: er ontstond belangstelling voor oude klederdrachten van plattelanders en de ‘ongerepte’ natuur die in Nederland nooit had bestaan werd ontdekt.

Burgerlijk

De kern van de massacultuur is volgens Van der Woud dat die rationeel én irrationeel is: „Verstand en gevoel zijn even belangrijk, aandringen op echtheid en waarheid is even gewoon als meegaan met verleiding en illusie: het komt er niet op aan op wat men is, maar op de indruk die men maakt.” Mode speelt daarom een belangrijke rol in de ‘vormloze, veranderlijke en grenzeloze’ massacultuur die alles, ook delen van de oude, hoge cultuur, in zich opneemt. Reclame gaat de beeldcultuur bepalen: dag in dag uit wordt de westerse mens bestookt met visuele boodschappen waarin echt en onecht, waar en onwaar, niet te scheiden zijn: „De waarheid is vervangen door individuele overtuigingen, en die lijken soms verrassend veel op merkentrouw.”

Van der Woud geeft toe dat hij niet de eerste is die opmerkt dat het trio natuurwetenschap, techniek en industrialisering in de negentiende eeuw voor een nieuwe cultuur zorgde. Maar in het tweede deel van De nieuwe mens, met sociologische en psychologische beschouwingen, wijst hij erop dat in verklaringen voor de opkomst van de nieuwe, materialistische cultuur altijd de belangrijkste factor over het hoofd wordt gezien: de opkomst van de massaconsument. De plattelanders die in de tweede helft massaal naar de grote steden trokken, braken met hun oude leven en cultuur. Het nieuwe stadsleven bood hun weinig zekerheden. In de steden werden ze ‘nieuwe mensen’. Ze verhuisden er vaak, zodat ze niet konden wortelen en bovendien waren ze, zeker in hun eerste jaren in de stad, arm. Juist deze ‘stadsnomaden’ bleken ontvankelijk voor het materialisme van de ‘cultuur der dingen’ en hechtten meer aan nieuwe, modieuze massaproducten dan de welgestelde dragers van de oude cultuur.

Met zijn nadruk op de opkomst van de massaconsument gaat Van der Woud in De nieuwe mens weer met kracht het cliché te lijf dat de Nederlandse cultuur ook na de industriële revolutie in wezen ‘burgerlijk’ bleef. Liet hij het in Koninkrijk vol sloppen bij de constatering dat het grootste deel van de Nederlanders in de sloppen van de steden een buitengewoon onburgerlijk leven leidde, in De nieuwe mens schrijft hij dat de oude, burgerlijke cultuur in de tweede helft van de negentiende eeuw door hoogstens twee procent van de Nederlanders werd gedragen.

Huisraad

Mede door de nog altijd heersende opvatting dat Nederland een burgerlijke cultuur heeft, gaat de belangstelling van de meeste historici nog altijd uit naar de oude cultuur van het Goede, het Schone en het Ware, betoogt Van der Woud in een van de laatste hoofdstukken. Zo schenken de cultuurhistorici van het fin de siècle altijd veel aandacht aan de ‘gemeenschapskunst’ waar figuren als de architect H.P. Berlage en schrijfster Henriëtte Roland Holst omstreeks 1900 naar streefden.

Geïnspireerd door William Morris en andere Arts and Crafts-vormgevers die fabrieksmatig geproduceerde meubels verafschuwden, richtte Berlage in 1900 ’t Binnenhuis op, een bedrijf dat ‘goede’, ambachtelijk vervaardigde huisraad voor ‘het volk’ maakte.

Berlage staat nog altijd bekend als de vooruitstrevende vader van de moderne Nederlandse architectuur, maar met zijn anti-industriële en anti-individualistische gemeenschapskunst, was hij ronduit conservatief, vindt Van der Woud. Bovendien speelde ’t Binnenhuis een marginale rol in de Nederlandse vormgeving van omstreeks 1900: voor de massa waren de stoelen, tafels en kasten onbetaalbaar.

Het is daarom hoog tijd dat cultuurhistorici aandacht besteden aan het lage, het platte, het goedkope, het onechte, het lege en het modieuze van de cultuur, zo roept Van der Woud zijn collega’s ten slotte op. Hoe ze dat kunnen doen, laat hij zelf in De nieuwe mens wederom op indrukwekkende wijze zien.