De retoriek van het rendement

De bezetters van het Maagdenhuis zijn vertrokken, maar de rendementsretoriek blijft door mijn hoofd spoken. Wat vooral blijft haken, is niet de woede of de verontwaardiging, maar de suggestie van het exceptionele. Er is blijkbaar iets heel ergs aan de hand, dat noopte tot zulke radicale maatregelen als een bezetting. Dat hele erge was vooral het rendementsdenken, dat de spuigaten uitliep. Als historicus begin ik dan onmiddellijk terug te bladeren in de tijd. Niet om de huidige kritiek of crisis te bagatelliseren, maar om het in perspectief te plaatsen en beter te begrijpen.

Is kritiek op het rendementsdenken nieuw? Is ‘rendementsdenken’ zelf nieuw? Ik dacht het niet. De Utrechtse letterkundigen Els Stronks en Saskia Pieterse toveren zonder problemen allerlei vroegmoderne en negentiende-eeuwse voorbeelden tevoorschijn. In de lied- en gedichtencultuur in de Republiek ging het niet per se om de waarde van de poëzie maar vooral om kennisoverdracht, om tips en trucs om nut te maximaliseren: om een slimme koopman te zijn. De dichter en ethicus Coornhert presenteert goed koopmanschap als ideaal voor iedereen: ‘Aanmerckt o mensch waar toe ghy leeft op aarden. Besteet u pond aan waar, van hooghster waarde’. Je pond goed besteden, dat werd zelfs in verband gebracht met Gods goedheid.

En Pieterse wijst op Multatuli’s Droogstoppel, die in poëzie niets anders ziet dan op rijm gezette leugens. Multatuli schiep met die creatie de ultieme aanval op het rendementsdenken van de Nederlandse koloniale handelsgeest en benepenheid. Droogstoppel vertaalt ‘fatsoen’ in een fatsoenlijk adres (Lauriergracht No. 37) en morele superioriteit in het hebben van een degelijke bontjas. Hoezo principes?

Interessant aan de Nederlandse ontwikkeling van de koopmansmentaliteit en de verabsolutering van het nutsdenken, is het feit dat dit denken steeds een ‘verdwijntruc’ lijkt toe te passen. De directheid waarmee Coornhert erover schreef, is in de loop der eeuwen verdwenen. Het Nederlandse rendementsdenken, aldus Pieterse in een essay, ziet zichzelf niet als ideologie maar ‘als een praktijk, als iets wat je gewoon doet, omdat het nu eenmaal in de praktijk de beste resultaten oplevert’. En dat is ‘een tautologie waartegen het lastig protesteren is’.

In Engeland in de negentiende eeuw hulde dit denken zich wel in de mantel van de filosofie, het noemde zich ‘utilitarisme’. Jeremy Bentham en James Mill presenteerden zichzelf als ethische denkers, die de ethiek van een handeling aflazen aan de bijdrage die die handeling leverde aan het algemeen nut. Daar kon je dan ook duidelijk kritiek op uiten. Lees Charles Dickens’ satire op het utilitarisme, de roman Hard Times (1854), er maar eens op na. Daarin voedt de ondernemer en idealistische hoofdonderwijzer Gradgrind zijn kinderen op in de utilitaristische leer door hun te verbieden liedjes te zingen en hun alleen feiten en cijfers voor te schotelen.

Typisch Nederlandse utilitaristen zijn zich echter niet van hun ideologie bewust. Terwijl je, als je gaat opletten, ze overal tegenkomt. Op 19 april debatteerde Hans de Boer, voorzitter van VNO-NCW met presentator Pieter Jan Hagens over de ‘Bed-Bad-Brood’-crisis. „Laat je niet leiden door emoties, maar door feiten”, aldus De Boer, „wees fatsoenlijk, rationeel”. Presentator Hagens wierp tegen dat het niet om emoties ging, maar om principes. Maar De Boer hield vol. „Principes zijn heel mooi, maar banen, inkomen, dat is de basis. Hoe houden we de economie aan de praat.” Dat was de verdwijntruc in pure vorm: ik ben geen denken, ik ben praktijk. De bezetters van het Maagdenhuis hebben dat goed gezien: dat het denken in termen van winstmaximalisering, van efficiëntie en kwantificeerbare resultaten wel degelijk óók een ideologie is. Maar dat is geen nieuw inzicht. En rendementsdenken is zelfs in zijn uitwassen helaas geen noviteit in de Nederlandse geschiedenis.

Veel belangrijker is het om de discussie over de verhouding tussen moraal en de economie op gang te krijgen. Om met een beter gefundeerd antwoord te komen op de vraag ‘hoe fatsoenlijk te leven in een kapitalistisch systeem’? Dat geldt voor alle partijen. Want ik zou wel eens willen weten wat de ethiek van een ontruiming is, of wat het economisch effect is van het vertrek van een voorzitter van een college van bestuur. De Engelse utilitaristen zagen zichzelf nog als ethici, en namen ethische tegenargumenten serieus. Maar het is al sinds de vroegmoderne tijd in Nederland lastig de ethische aspecten van economisch handelen systematisch onder woorden te brengen (of de economische van de ethiek!). Die ‘zelf-ontkennende beweging’ (Pieterse) van nutsdenken vind je overal, in het cultureel erfgoed, in de politiek, in de economie , maar dus ook aan de universiteiten.

In Dickens’ roman verkopen Gradgrinds kinderen – trouw aan de hen ingetrechterde principes – hun ziel aan de hoogste bieder. Een gebroken Gradgrind erkent zijn ongelijk. Een systeem dat alleen gebaseerd is op feiten en cijfers mist de ziel.

Bij Droogstoppel valt er daarentegen niets te erkennen. Hij hing immers geen filosofisch systeem aan, maar lette slechts op de ‘ondervinding’ in zijn beurs. Zo komen we niet verder.