De rechtsorde werkt op papier, maar hapert live

Er zijn van die weken waarin de politieke en juridische actualiteit naadloos samenvallen. Het kabinet viel bijna over een op zichzelf glashelder (Europees) juridisch oordeel over noodopvang voor uitgeprocedeerden. Intussen liet Alex Brenninkmeijer aan de Utrechtse universiteit met een ‘stresstest’ zien dat de politiek steeds ruwer omgaat met het recht en de neiging vertoont om tegenmachten zoals rechtspraak, verdragen en adviesorganen te negeren. Was Nederland een grote bank, dan zou de burger beter z’n boeltje pakken.

In de kern is hier te weinig structurele rechtsbescherming. De politiek is opportunistisch, eenzijdig en onvoldoende solide; het recht wordt ‘gerelativeerd’, opzij geschoven en is onvoldoende bereikbaar. De grondwet speelt geen enkele rol, bij het publiek noch in de rechtszaal.

Intussen versplintert de politiek. Er doemen wetsvoorstellen op waarvoor geen echte meerderheid bestaat, maar die ad hoc samenwerkende partijen elkaar via uitruil ‘gunnen’. Naar rechtstatelijke bezwaren wordt niet geluisterd. Kán ook niet; onderling is men het immers ook al niet eens.

De derde partij van het land koestert „rechtstatelijk vijandige opinies”, die het onder Rutte-I ook in wetsvoorstellen vertaalde - deels werken die nog door. Als straks de stembus „onverwachte uitkomsten” oplevert, vraagt Brenninkmeijer, „welke rechtstatelijke waarborgen genieten minderheden (dan) in ons land?”

Dat komt toch hard aan in een land waarin we vaak zeggen dat ‘we’ als Nederlandse rechtsstaat zo fijn hoog scoren in Europese ranglijsten.

Brenninkmeijer is lid van de Europese Rekenkamer, was Nationale Ombudsman tot 2013 en daarvoor hoogleraar bestuursrecht en rechter. Als ombudsman had Brenninkmeijer tal van aanvaringen met het kabinet en de Kamer. Deze oratie is er de overtreffende trap van - dit is ‘Alex Unplugged’. Hierin komen twee termijnen ombudsman en een lang juridisch beroepsleven samen. Zonder de institutionele plicht toch vooral met de Kamer of het kabinet in gesprek te moeten blijven.

Op papier ziet de rechtsorde er niet slecht uit, maar ‘live’ hapert het. De systemen zijn te complex, te repressief, te verkokerd en werken vervreemdend. Niet alleen op de burger, maar ook op de uitvoerders. Zelfs deskundigen, ambtenaren en Kamerleden „begrijpen de wet- en regelgeving vaak niet goed”.

Intussen produceert het kabinet de ene na de andere maatregel die rechtstatelijk niet door de beugel kan. Denk aan de hoge verplichte sancties binnen de sociale zekerheid, ook voor wie een vergissing of een tikfout maakte. Een alcoholslot als bestuurlijke maatregel naast een strafrechtelijke sanctie. Of dataretentie – het langdurig bewaren van surf- en belgegevens. De rechter maakte het uiteindelijk ongedaan, wegens gevaar van willekeur of gebrek aan proportie – maar vaak pas na jaren.

Ook in de uitvoering loopt de wetgever te vaak tegen de rechter, de ombudsman of andere toezichthouders aan. Neem de schade door gaswinning in Groningen of het touwtrekken rond de noodopvang voor illegalen of de vreemdelingenbewaring. Allemaal schendingen van grondrechten.

Ook de rechtspraak zelf is niet in kalm vaarwater. Met name de bestuursrechtspraak is (en blijft) onduidelijk georganiseerd, met nu vier ‘hoogste’ rechters, straks mogelijk met twee. De rechtspraak is, ook met een eigen Raad als bestuursorgaan, strikt genomen nog steeds een buitendienst van het ministerie, met productiedruk en ‘management-denken’ als neveneffecten.

En dan hebben we nog niet de anti-Europese, c.q. anti-verdragsstemming in de politiek besproken. Of het ontbreken van de mogelijkheid voor de Nederlandse rechter, als één van de weinigen in Europa, om wetten aan de grondwet te mogen toetsen. Misschien zou je een constitutioneel hof kunnen invoeren, in plaats van de Eerste Kamer, suggereert de nieuwe hoogleraar. En geef de rechtspraak een status aparte, als Hoog College van Staat. Dan heb je tenminste iets gedaan.