De merkwaardig onderbelichte prestaties van de oude politiek

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Moszkowicz, Brinkman en het avonturisme op rechts. Ofwel: de hoge kwaliteit van de traditionele politiek versus de holle pretenties van de nieuwe.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Politieke gelukzoekers – ik kan er geen genoeg van krijgen. Zo’n Bram Moszkowicz (ex-Moszkowicz Advocaten) die even komt vertellen dat hij Den Haag zal vernieuwen door al die versleten maniertjes af te zweren. Nooit meer „geen commentaar” van hem: jawel, hij zei het echt.

Of Hero Brinkman (ex-PVV) die even de verwaarloosde belangen van ondernemers en zzp’ers op de agenda komt zetten. Omdat niemand anders het lef heeft. Jawel, ook Brinkman zei dit echt.

Het onderstreepte dat politiek avonturisme vooral een rechtse hobby is geworden, om niet te zeggen: een PVV-reünie.

Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg, zei Pim Fortuyn in 2002, en nu zijn het vooral oud-Wildersvolgelingen die in zijn voetsporen treden. In essentie hanteren ze allemaal dezelfde agenda: tegen de radicale islam, de multiculturele samenleving, en een ruimhartig asielbeleid.

Gelukzoekers uit het binnenland die zich tegen gelukzoekers uit het buitenland keren.

Nu wil ik niet zeggen dat al deze initiatieven kansloos zijn. De manier waarop Moszkowicz als advocaat ten val kwam doet weinig goeds vermoeden over zijn beoordelingsvermogen, maar dat hoeft het probleem niet te zijn: beoordelingsvermogen is geen vereiste voor Haags succes meer.

Tegenwoordig moet de aspirerende politicus vooral zijn gevaarlijke persoonlijkheid openbaren – zodat hij met controverse zelfstandige entertainmentwaarde krijgt: de politicus als creatie van de moderne cultuur.

Van de 150 Kamerleden die ijverig wetten en moties behandelen, zullen er zo’n 130 überhaupt nooit voor een praatprogramma gevraagd worden. Maar de politicus Moszkowicz zat deze week al in talkshows nog voordat hij op een kandidatenlijst stond. In sommige optredens kreeg je de indruk dat hij zelfs de standpunten van zijn partij was vergeten te lezen.

Wat maakt het ook uit. De man is bekend en verbaal zeer begaafd – met een beetje mazzel haalt-ie zo vijf zetels. Dit is de politiek waarmee Pim de natie heeft opgezadeld.

Er komt bij dat de mensen achter Moszkowicz zeker geen lichtgewichten zijn. Wilders heeft van de PVV op het punt van uitkeringen en zorg een SP-light gemaakt, terwijl hij inzake de islam steeds vaker de taal van het voetbalstadion uitslaat. Dus nu ‘Voor Nederland’ van Moszkowicz zich als ‘rechts van de VVD, netter dan de PVV’ wil positioneren, zouden daar best kansen kunnen liggen.

Er staat tegenover dat de partij zich ook van zijn zwakste kant liet zien door zijn voorzitter Louis Bontes te laten vallen. De Rotterdammer en oud-politieman Bontes – ik ken niemand in Den Haag die zo recht-door-zee is – had zijn bedenkingen tegen de oud-advocaat, zeker toen bleek, zo liet ik me vertellen, dat Moszkowicz ook de ambitie heeft zijn ex mee te nemen naar Den Haag.

Het bekende probleem van de politieke gelukzoeker: hij zegt dat hij zegt wat hij denkt – maar evengoed blijkt hij dingen te denken die hij nooit zegt.

Hoe dan ook: met Bram en Hero als kandidaat-concurrenten van Wilders hoeft niemand de komende jaren bezorgd te zijn voor onderbezetting op de populistische rechterflank. En in feite was ook de bed-bad broodcrisis van de afgelopen twee weken, en de bijna-val van het kabinet daarover, het effect van al het avonturisme op rechts.

Want zeker in de VVD hebben ze het nu wel gehad met de electorale concurrentie van flankpartijen, en precies dit verklaarde waarom de bed-bad-brooddiscussie zo’n zware opgave voor de coalitie kon worden.

Op de keper beschouwd was dit natuurlijk nergens voor nodig: het gaat om slechts een paar honderd uitgeprocedeerde asielzoekers annex illegalen, en als je de VVD-burgemeesters van Den Haag en Utrecht beluisterde (Van Aartsen is oud-VVD-leider, Van Zanen oud-VVD-voorzitter), wist je meteen dat zo’n bed-bad broodregeling ook vanuit VVD-oogpunt echt zo’n vreemde maatregel niet was.

Maar de laatste maanden had de landelijke VVD ervaringen die tot nadenken stemden. Eerst was er de keuze van Rutte in het RTL-debat tijdens de verkiezingscampagne (Syriëgangers kunnen beter daar sneuvelen dan terugkeren): de VVD sprong omhoog in de peilingen. Daarna het kansloze voorstel van VVD-Kamerlid Azmani (grenzen dicht, alleen opvang in de regio): zelfde effect.

Je kon het opportunisme noemen, je kon erop neerkijken, maar dan zag je iets over het hoofd: dit illustreerde in VVD-ogen dat potentiële PVV-kiezers hunkeren naar een minder omstreden alternatief. Naar een traditionele partij die eindelijk hun opvattingen verwoordt.

Dus het had beslist logica dat de VVD die recente ervaringen serieus nam toen het bed-bad-broodconflict uitbrak.

Andersom was ook de positie van de PvdA minder eendimensionaal dan het leek. Vicepremier Lodewijk Asscher had nota bene zelf meegewerkt aan het Nederlandse pleidooi bij de Raad van Europa om de keuze voor bed, bad en brood voor illegalen niet verplicht te stellen.

Zo waren de opvattingen in VVD en PvdA veel genuanceerder dan de openbare toelichtingen suggereerden. En zo was ook het resultaat van de onderhandelingen minder helder dan de stortvloed van kritische commentaren veronderstelde. Er kwam een dubbelzinnige tekst uit die beide partijen kans gaf te claimen dat ze hun zin kregen, terwijl ze ook vaststelden dat een „richtinggevende” uitspraak van de rechter nog moest komen. Kortom: veel bleef vaag.

En de vraag is natuurlijk: was dit erg?

Het is maar hoe je politiek ziet. Als politiek alleen nog zelfverklaring zou zijn – ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg – dan deugde hier weinig van.

Maar als politiek ook de ambitie heeft een land te wijzen op gedeelde belangen, op thema’s die een land binden in plaats van verdelen, dan was dit echt zo’n vreselijke uitkomst niet.

Anders gezegd: uitgerekend nu de vrijheid van meningsuiting bijna onbegrensd is, kunnen politici hun verantwoordelijkheid voor het algemeen belang nemen door niet altijd te zeggen wat ze denken.

Chris Aalberts en Dirk-Jan Keijser publiceerden vorige week De puinhopen van rechts – over de potpourri aan rechtse partijen en partijtjes in het post-Pim-tijdperk. Het laat perfect zien wat de politieke waarde van al dat zeggen wat je denkt uiteindelijk is geweest. En in welke droefgeestige traditie Moszkowicz en Brinkman deze week stapten: mensen die zich eindeloos uitspreken – en elkaar daarna de hersens inslaan.

Daarmee vergeleken zijn de prestaties van de oude politiek sinds 2002 eigenlijk merkwaardig goed geweest. En ook merkwaardig onderbelicht gebleven. Hun vertegenwoordigers hadden misschien minder praats, maar ze deden meestal wat nodig voor het land was – en niet zelden ten koste van de eigen partij: zie D66 (2006), VVD (2006), CDA (2010, 2012), GroenLinks (2012) en PvdA (nu).

Het geldt ook voor de huidige coalitie, geen perfect verbond, maar een samenwerking die beleid aandurfde waarop deskundigen en topambtenaren al een jaartje of tien aandrongen.

En het vreemde is dat onder Rutte II opnieuw de grote bekken op de flanken meer positieve aandacht krijgen dan de partijen die in het midden iets bereiken. Zoals deze week Moszkowicz en Brinkman weer in de talkshows zaten, terwijl het bed-bad-broodcompromis overal werd gekielhaald.

Dus nu de economische winter voorbij is, en die twee partijen zich vrijer bewegen, lijkt het niet meer dan gezond dat zij iets proberen te doen aan de oprukkende flanken. Dat de VVD inzake asiel- en vreemdelingenbeleid naar rechts manoeuvreert om de PVV kleiner te maken en de kansen van Moszkowicz te minimaliseren. En dat de PvdA, bij voorbeeld met hernieuwde kritiek op marktwerking in de zorg, hetzelfde probeert met de SP.

Je kunt zeggen dat dit alleen opportunisme zou zijn. Dit zou suggereren dat VVD en PvdA zich moeten schamen dat zij de kunst verstaan om voor het algemeen belang op te komen. Een wonderlijk misverstand in een wereld waarin linkse en – vooral – rechtse gelukszoekers al jaren de aandacht opeisen.

En zelden iets presteren.