Afgestudeerden hebben niets, ook geen kamer meer

Bij afstuderen moeten jongeren hun kamer uit, maar kunnen ze geen ander huis kopen of huren, schrijft Sjoerd Korsuize.

Op elkaar gestapelde zeecontainers worden in Amsterdam-Noord bewoond door studenten Foto anp/lex van lieshout

Maak kennis met Chris (m/v), een jonge onlangs afgestudeerde stedeling die nu werk zoekt, of zich gelukkig mag prijzen met een flexcontract. Chris wordt door cynici geframed als narcistische blaaskaak, die als levensdoel het krijgen van zoveel mogelijk Facebooklikes op een selfie heeft. In de praktijk heeft Chris ondanks een jonge leeftijd al een dijk van een cv opgebouwd, waar de patatgeneratie of een babyboomer op dezelfde leeftijd volledig bij in het niet valt. Denk aan nominaal afgestudeerd zijn (want sociaal leenstelsel), buitenlandervaring, studentenverenigingbestuurservaring, stages (ja, meerdere), ruime werkervaring in een bijbaan, ontwikkelingswerk en ga zo maar door. Chris is een stoere overlever die volledig op zichzelf is aangewezen en in het leven niet hoeft te rekenen op steun van de overheid in zijn harde bestaan. Sterker nog, Chris heeft louter last van rechten voorbehouden aan anderen ten koste van hem (of haar).

Voor vorige generaties betekende afronding van de studie een afscheid van relatieve armoede en de start van een welvarender bestaan. Zo niet voor Chris, voor wie afronding van de studie juist het begin van een jarenlange overlevingsstrijd betekent, welke zich het meest schrijnend manifesteert in de woonsituatie. Na de studie moet hij wegens het campuscontract binnen een half jaar uit de studentenwoning. Omdat je binnen vier jaar afgestudeerd moet zijn, ben je grofweg tussen de 21 en 24 jaar oud. Je hebt dan drie tot zes jaar wachttijd opgebouwd voor sociale huur, als je zo slim bent geweest om je op je achttiende verjaardag in te schrijven. Bij de huidige wachttijd, die zo tien jaar kan zijn, moet je dus nog zeker vier tot zeven jaar wachten om aanspraak te maken op een sociale huurwoning. Best kans dat je tegen die tijd net te veel verdient. Als je slechts één eurocent over de vastgestelde inkomenslimiet zit, heb je er geen recht op. En als je wilt gaan samenwonen - niet ondenkbaar onder eindtwintigers - zul je met zijn tweeën zeker boven de limiet eindigen.

Een huis kopen is ook geen optie. Daar heb je een vast contract voor nodig en die kans is klein, een half jaar na je afstuderen. Waarschijnlijk zal een steeds grotere groep jongelui nooit een vast contract krijgen. Degenen die op wonderbaarlijke wijze wel snel zo’n vast contract krijgen, verdienen met een startsalaris te weinig om op eigen kracht een huis te kopen. Daarbij hebben ze als resultaat van het sociale leenstelsel een gigantische studieschuld opgebouwd.

Goed, gelukkig bestaat er ook zoiets als de vrije sector. Of toch niet? Ook daar maakt Chris geen schijn van kans. Dergelijke woningen kosten grofweg tussen de 800 en 2.500 euro. Een bedrag dat niet te betalen is bij een startsalaris van, pak ’m beet, 2.500 euro bruto. Bovendien stellen corporaties onhaalbare eisen aan inkomen – een nettosalaris van drie keer de huur – en aan duurzaamheid van dienstverband. Omdat je nog niet, of amper gewerkt hebt, kun je niet aantonen dat je een vast inkomen hebt en als je dat al wel kan, verdien je domweg te weinig met je startsalaris.

Kortom, de geijkte kanalen van sociale huur, kopen en vrije sector vallen af. Wat te doen? Feitelijk zijn er nog drie opties: Een rijke vent (m/v) zoeken, terug naar je ouders, of je begeven in het kamertjescircuit. Iemand die streeft naar zelfstandigheid is gedoemd tot de laatste optie. In het kamertjescircuit ben je overgeleverd aan de heidenen. Het is een allegaartje van bijvoorbeeld mensen die een kamertje in het eigen huis verhuren omdat ze te arm zijn om dit volledig zelf te betalen, mensen die in het buitenland wonen en hun huis verhuren, of huisjesmelkers die koopwoningen bezitten om winst te maken met verhuur. In Project 1012 zou dit circuit criminogeen genoemd worden: balancerend op, of vallend over de rand van het wettelijk toegestane. De woonruimtes variëren sterk in kwaliteit, soms zijn ze in een erbarmelijke staat, soms te klein om menswaardig in te kunnen leven, soms heb je geen enkele privacy, maar vooral zijn ze naar verhouding erg duur. Daar waar huizenkopers recht op koopsubsidie (hypotheekrenteaftrek) hebben en mensen in de sociale huur recht hebben op huurtoeslag, heeft de kamerhuurder helemaal nergens recht op. Een hok van 600 euro is dus ook gewoon 600 euro, ook al is dat tegen de wet. Daarbij geniet je in dit circuit ook nagenoeg geen bescherming. Heeft jouw huurbaas geen zin meer in jou, dan kan hij eenvoudig het huurcontract opzeggen. Als je dat al hebt.

Verschillende oorzaken hebben bijgedragen aan het ontstaan van deze problematiek. Beleid is gericht op het faciliteren van huizenkopers en op het faciliteren van de allerarmsten. Woningcorporaties hebben delen van hun woningvoorraad verkocht, waardoor schaarste is toegenomen. Door gebrek aan alternatief of voldoende kapitaal om te kopen, blijven scheefwoners in sociale huurwoningen zitten. Steden zijn nog te zeer ingericht op meerpersoonshuishoudens, terwijl juist het aantal alleenstaanden toeneemt en de gemiddelde woningbezetting daalt. Nieuwbouwprojecten zijn uitsluitend gericht op koop en vrije sectorhuur.

Het naïeve kabinetsbesluit om flexwerkers per 1 juli 2015 niet drie, maar nog slechts twee jaar enige zekerheid te geven, zal de problemen verergeren. Kopen (of huren in de vrije sector) blijft namelijk nog langer uit beeld of komt zelfs nooit in beeld. Flexwerkende scheefhuurders blijven in hun sociale huurwoning, waardoor deze markt nog verder op slot komt te zitten. Zo wordt de economische crisis disproportioneel hard afgewenteld op starters, juist degenen die voor innovatie en groei zorgen. Zeker bij huisvesting vallen zij tussen de wal en het schip.