Wereldmuseum mishandeld

Twee rapporten over de desastreuze toestand van het Wereldmuseum in Rotterdam liggen op tafel. Het ene met een verslag van een onderzoek naar het museale functioneren, de bedrijfsvoering en de financiën. Het andere, van de Rotterdamse Rekenkamer, met een analyse van de manier waarop het stadsbestuur zijn verplichtingen vervulde. Samen is het een verdrietig tweeluik over een museum dat ernstig werd mishandeld met wanbeleid en dat niet kon rekenen op ingrijpen of zelfs maar begrip van de toeziend voogd. De tearjerker loopt uit op het museum met de dood in de ogen.

Het Wereldmuseum dateert van 1883 en had een duidelijke identiteit. In een van de mooiste panden van de stad hoedde het een kunstschat een havenstad waardig: een door Rotterdammers samengebrachte collectie met artefacten van over de hele wereld, met een waarde van enkele miljoenen. Iets om trots op te zijn. Maar het museum was aan een stoffig imago gaan lijden. En daar deed, in 2001, toenmalig burgemeester Opstelten persoonlijk iets aan. Hij benoemde als directeur Stanley Bremer. In hem herkende ook het gemeentebestuur de nodige unverfroren ondernemingslust. In 2006 verzelfstandigde Rotterdam het Wereldmuseum.

Bremer ging aan de slag en liet zich kennen met een tegendraads voorstel om de Afrika-collectie te verhandelen. In 2013 moest het museum 40 procent subsidie inleveren, wat een structureel tekort van €750.000 per jaar inleidde. De Rekenkamer stelt vast dat toen „een kennelijke ondergrens” was bereikt, zeker bij „een behoorlijk vaag gebleven mechanisme van cultureel ondernemerschap’’.

Maar zo vaag was dat niet. In antwoord op de bezuinigingen begon Bremer het museum als museum af te bouwen. Wat met kunst en collectie te maken had, deed hij zoveel mogelijk weg. Conservatoren werden ontslagen, wetenschappelijke en educatieve programma’s geschrapt. Het depot werd opgezegd en ontzameling van duizenden objecten aangekondigd, opnieuw zonder respect voor protocollen. Bremer ging voluit voor de niet-museale activiteiten. Het museum als restaurant en partylocatie, als reisbureau en datingservice. En nog altijd zat het financieel in de knel.

Bremer deed het. Maar het gemeentebestuur van Rotterdam liet hem zijn gang gaan. Dat controleerde niet. Dat slaagde erin niet te beseffen dat de raad van toezicht van het museum niet actief meer was. Dat keek radicaal weg. Tot het écht niet meer kon.

De gemeente Rotterdam, grotendeels eigenaar van de collectie, zou moeten erkennen dat een museum iets anders is dan een commerciële onderneming. Rotterdam moet inzien dat een gul reddingsplan voor het Wereldmuseum niets minder is dan een ereschuld.