Vooral mooie woorden tegen doping

Vier procent Nederlandse topsporters gebruikt verboden stimulerende middelen; dit najaar actieplan.

Resultaat van de dopingconferentie gisteren op het nationale sportcentrum Papendal: er komt dit najaar een actieplan tegen doping. Resultaat van een onderzoek van de Dopingautoriteit en onthuld tijdens de conferentie: ruim vier procent van de Nederlandse topsporters is aan de doping. Ook nog een groep hardnekkige gebruikers, is de analyse. Wat op voorhand de vraag opwerpt hoe effectief dat actieplan zal zijn.

Aan goede bedoelingen geen gebrek op de dopingconferentie, die door sportminister Edith Schippers was geëntameerd. Logisch, omdat antidopinggevoelens nu eenmaal breed leven. Wie is geen voorstander van schone sport? De minister zoekt „een vaccin tegen het dopingvirus” en stelt daar 300.000 euro voor beschikbaar.

Via een dopingconferentie hoopte Schippers, die kortstondig aanwezig was, op nieuwe inzichten voor de bestrijding van doping. Helaas voor haar bleef het bij beknotte aanbevelingen. Een licentiesysteem voor medische begeleiders van sporters, om maar iets te noemen. Of de sporters een stem geven, omdat het om hen gaat. Maar ook een actievere rol van de sportbonden vragen en verplichte voorlichting geven op de centra voor topsport en onderwijs, de CTO’s.

Een andere, prikkelende vraag was: hoe kan Nederland de internationale dopingagenda beïnvloeden? Moeilijk vanwege de strenge privacywetgeving, is een conclusie. Uitwisseling van persoonsgegevens is vrijwel onmogelijk. En dat zorgt internationaal voor veel onbegrip, zei directeur Herman Ram van de Dopingautoriteit.

Ander kwetsbaar puntje is het voortdurende gebrek aan geld bij dopingbestrijding. Vanwege sterk teruglopende inkomsten uit De Lotto, dé financier van de Nederlandse sport, heeft de Dopingautoriteit het aantal controles noodgedwongen moeten terugschroeven tot ongeveer 1.700 per jaar. Karig voor een land dat streeft naar een plaats in de mondiale toptien. In absolute aantallen staat Nederland 25ste op de wereldranglijst, vertelde Ram licht beschaamd.

Alle goede ideeën, mooie plannen en beste bedoelingen werden hoofdschuddend aangehoord door Michel Karsten, al twaalf jaar Haarlemse huis- en politiearts in ruste. Hij was vanuit zijn huidige woonplaats in de Franse Dordogne naar Arnhem gekomen, om tot de vaststelling te komen dat er op dopinggebied niets was verbeterd. „Mooi, een strikt dopingbeleid, maar ik mis de individualiteit. Wat doen we met sporters die toch gebruiken?”

Karsten had daar in zijn praktiserende periode wel een antwoord op: helpen en begeleiden. In zijn vrije tijd adviseerde hij dertig jaar lang zo’n 200 Nederlandse topsporters bij hun dopinggebruik – „om te voorkomen dat ze een toevlucht tot de zwarte markt of internet zouden nemen”.

Het was zijn dure plicht als arts, vindt Karsten. Versta hem goed, hij is tegen doping, voor controles en vindt de Dopingautoriteit een voortreffelijke organisatie. Maar als een sporter bij hem kwam die niet wilde luisteren naar zijn afwijzingen en willens en wetens doping gebruikte, begeleidde hij die. Uit menselijke, maar vooral medische overwegingen. „Als ik hem niet hielp was hij met zijn gezondheid nog veel slechter af.”

In zijn tijd werd Karsten verketterd en gestigmatiseerd als de ‘dopingdokter’. Hij trok zich er niets van aan en bleef hardnekkige topsporters verboden middelen voorschrijven. Wel in zijn vrije tijd en naar zijn zeggen gratis, omdat hij onafhankelijk wilde blijven. En met medeweten van de inspecteur van de volksgezondheid, die hij van zijn extra werkzaamheden op de hoogte had gebracht. Wat bleek: zijn extra werk werd gedoogd.

Ook op Papendal werd de inmiddels 72-jarige Karsten vanwege zijn afwijkende houding zwaar bekritiseerd, met name door vertegenwoordigers van sportbonden. Hij werd er niet warm of koud van. „Ik werd aangevallen door leken, niet door artsen. Die begrijpen mij”, was zijn weerwoord. „Ik stel vast dat na al die jaren de repressie alleen maar is toegenomen. Naar de sporters wordt nog steeds niet geluisterd. Restrictie is nooit de goede insteek. Doping moet je reguleren.”

De cijfers geven Karsten gelijk, want als van de 740 ondervraagde topsporters er 291 reageerden en van hen 4,2 procent dopinggebruik erkende, is er in Nederland een stevig probleem.