Verhuizen (1)

‘Jullie weten dat de huizenmarkt op dit moment gestoord is hè? Maar vertel, wat hadden jullie in gedachten?” Onze makelaar hield haar pen in de aanslag om onze wensen te noteren, een vrij cruciaal gesprek, maar door allerlei hectische omstandigheden hadden J. en ik het voor elkaar gekregen om dit niet samen voor te bereiden. We gingen er voor het gemak vanuit dat we er wel zo’n beetje hetzelfde over dachten, zoals over zoveel. Maar ik wist eigenlijk zelf niet eens goed wat ik wilde. „West ofzo?” Ik keek uit mijn ooghoek of J. het wel met me eens was. Het is krankzinnig, je hebt altijd wel dat je langs huizen fietst waarvan je denkt: woonde ik hier maar. De portierswoning in het Vondelpark bijvoorbeeld. Mijn hele leven heb ik erover gefantaseerd hoe het zou zijn om in dat witte, knusse huisje te wonen en dat je adres dan ‘Vondelpark 1’ is. Of ergens tegenover Artis, dat je de hele dag gratis naar de dieren kan kijken en luisteren. En ze kan ruiken, maar dat geeft dan niet. Maar als het er echt op aankomt is het verdomd moeilijk om te bedenken in welke buurt het praktisch is, waar je je thuis voelt.

Geld is niet de enige beperkende voorwaarde. Mijn ex en ik hebben net na een eindeloze scholentour de allerbeste school voor ons zoontje gekozen en hij was daar, tot onze enorme opluchting, ook ingeloot. Hoe ver was ik bereid te gaan fietsen elke dag om hem daar alsnog heen te laten gaan? Of kon ik het aan om weer een nieuwe schoolexpeditie te beginnen? En zou ik mijn ex dan nog meekrijgen? Hoe ver wilde ik eigenlijk bij hem vandaan wonen? En van mijn ouders? Mijn werk? En van mijn favoriete Lidl, mijn huisarts, mijn kapper? Eén ding wisten mijn vriend en ik zeker: niet in Zuid. Hoezeer ik mijn buren ook zou missen, met Zuid waren we klaar. Nee, West; hoe meer ik erover nadacht, hoe perfecter het me leek.

„Ja of…” J. had ook even nagedacht: „Ja of ergens waar het een beetje rustig is. Ik hou wel van buiten, van ruimte, van rust.” Ik slikte. De makelaar keek bedenkelijk. „In West?” vroeg ze voor de zekerheid. „Nou ja, West hoeft niet per se, toch lieverd?” J. stootte me aan. Ik probeerde iets bevestigends noch ontkennends uit te drukken in mijn houding. J. ging door: „Ik zat bijvoorbeeld ook aan IJburg te denken.”

Eén microseconde vroeg ik me af of ik het misschien uit moest maken. De makelaar legde haar pen gedecideerd neer. „Luister, als jullie in IJburg willen gaan wonen, moet je echt een andere makelaar gaan zoeken. Geloof me, jullie worden daar doodongelukkig.” Ik begreep nu waarom een vriendin me haar warm had aanbevolen.

Na een half uur, waarin J. en ik ons in louter vaagheden hadden uitgedrukt als „volks, maar niet te ruig, maar ook weer niet te tuttig” en „ruim, maar wel met een knus gevoel”, keek ze tevreden naar haar notitieblok. „Ik weet precies waar jullie moeten gaan wonen.”