Rotterdam nalatig bij Wereldmuseum

Gemeente is ‘ernstig tekortgeschoten’ in het toezicht op het bestuur van het museum en de collectie.

De gemeente Rotterdam is de afgelopen jaren ernstig tekortgeschoten in haar toezicht op het Wereldmuseum. Dat schrijft de Rekenkamer Rotterdam vandaag in een zeer kritisch rapport over de betrokkenheid van het college van B en W bij het museum, dat momenteel in grote problemen verkeert, zowel financieel als bij het collectiebeheer.

De Rekenkamer stelt dat het college na de verzelfstandiging van het museum, in 2006, heeft nagelaten te controleren of de collectie goed werd beheerd. Ook had het college volgens de Rekenkamer eerder kunnen weten dat het museum geen bevoegde raad van toezicht meer had. „De gemeente heeft na de verzelfstandiging onvoldoende stilgestaan bij de rol en verantwoordelijkheid die zij ten opzichte van het Wereldmuseum heeft”, stelt de Rekenkamer. Pas na berichten in de media en publieksacties kwam de gemeente in actie. De Rekenkamer deed het onderzoek in opdracht van de gemeenteraad, die eind vorig jaar de maat vol vond toen bleek dat de raad van toezicht van het museum officieel niet meer in functie was. Vorige week kwam al een ander onderzoek in opdracht van de gemeenteraad uit, van onafhankelijk onderzoekster Gitta Luiten. Daaruit bleek dat het museum onder directeur Stanley Bremer is terechtgekomen in een neerwaartse spiraal.

Uit het vandaag verschenen rapport van de Rekenkamer, getiteld Werelden van verschil. Onderzoek naar verzelfstandigingsafspraken Wereldmuseum, blijkt dat niet alleen Bremer blaam treft. Ook de gemeente valt veel te verwijten. Na de verzelfstandiging van het Wereldmuseum stelde de gemeente zich vooral op als subsidiegever en verhuurder van de panden waarin het museum is gevestigd en waarin het zijn depot heeft. Maar de gemeente is ook nog eigenaar van de collectie. Volgens de Rekenkamer zag de gemeente nauwelijks toe op een goed beheer daarvan, terwijl daarover wel afspraken waren gemaakt in de zogenoemde beheersovereenkomst. Ook was er geen totaaloverzicht van de stukken die bij de verzelfstandiging in beheer zijn gegeven, dus valt niet te achterhalen of er de afgelopen jaren collectiestukken verdwenen zijn.

Over de rol die museumdirecteur Bremer speelde, is de Rekenkamer milder dan Luiten vorige week. In haar rapport stond dat hij meer energie stak in het ontplooien van commerciële activiteiten dan in de museale taken. De Rekenkamer stelt dat de ondernemingszin die Bremer vanaf zijn benoeming in 2001 liet zien, „nadrukkelijk één van de criteria” was op basis waarvan hij destijds door het college werd benoemd. In 2005 kondigde hij onder meer aan een sterrenrestaurant te willen. Het college van B en W ging daarmee akkoord.

De Rekenkamer schrijft: „De gemeente heeft geen kaders opgesteld die aangeven tot hoever de ondernemerszin van culturele instellingen mag reiken.” Of het Wereldmuseum te ver is gegaan, is daarom niet te beoordelen, aldus het rapport.

De Rekenkamer toont ook begrip voor de ingrijpende maatregelen die Bremer nam nadat hij geconfronteerd werd met een korting van 40 procent op de subsidie voor 2012-2016. Hij ontsloeg 28 van de 37 medewerkers en zei de huur op van het depot dat het museum van de gemeente huurde.