Oma hoeft het oorlogsgeraas niet te horen

Bij ‘De Aanval’, de expositie die donderdag begint, staat een bommenwerper centraal. Voorbezichtiging met drie generaties.

Elizabeth Rippe (89) met haar zoon en kleindochter in de onderzeebootloods. Foto Robin Utrecht

Bij de eerste aanblik van het tweemotorige vliegtuig slaat Elizabeth Rippe (89) de hand voor haar mond. Oudste zoon Hans (62), die de rolstoel met zijn moeder voortduurt, buigt zich bezorgd over haar heen. Kleindochter Marlieke (24), die naast haar grootmoeder staat, kijkt geschrokken opzij. Beide familieleden houden hun adem in. Bang dat de confrontatie met het verleden een angstaanval zal veroorzaken bij hun (groot)moeder. Enkele seconden is het muisstil in de voormalige onderzeebootloods op Heijplaat, waar de tentoonstelling in aanbouw is.

Dan doorbreekt de frêle dame met haar witte voorjaarshoedje, pareloorbellen en mokkabruine stola de stilte. Haar handgebaar blijkt een uiting van opluchting. „Ik dacht dat er een als Duitser verklede pop in de cockpit zou zitten, net als op het affiche voor de tentoonstelling. Daarom zag ik vreselijk op tegen de confrontatie met het vliegtuig. Goddank zit die pop er niet in.”

Kleindochter Marlieke vindt de uitnodiging en affiches juist heel sterk qua beeld, vertelt ze. „Mooi dat de woorden De Aanval in neutrale witte letters staan afgedrukt en niet in rode, wat gekund had vanwege de doden die er vielen. De piloot in de cockpit met daaronder Rotterdam vind ik mooi, omdat het een oud-bruine zwart-witfoto is die aangeeft dat het verleden tijd is.”

Oma Elizabeth voelt zich nog niet helemaal op haar gemak. „Heeft dit vliegtuig onze stad ook gebombardeerd”, vraagt ze met trillende stem aan de gids van Museum Rotterdam die de drie generaties rondleidt. Hij legt uit dat het toestel weliswaar is beschilderd in de Luftwaffe-kleuren maar dat het gaat om een Casa 2.111-bommenwerper uit 1956, een onder Duitse licentie in Spanje gebouwd toestel van hetzelfde type als de Heinkels die het bombardement uitvoerden. „Oh gelukkig, dan kan ik er met een gerust hart naar kijken.”

De tentoonstelling, die volgende week donderdag de deuren opent en een half jaar te zien zal zijn, moet bezoekers het bombardement van 14 mei 1940 en de dagen ervoor bijna levensecht doen beleven. De aanwezigheid van de bommenwerper – die de keuze voor de locatie bepaalde – en ander oorlogsmateriaal moeten dat effect bewerkstelligen. Net als authentieke films en getuigenissen van zowel slachtoffers als daders: Rotterdammers, Nederlandse militairen en de Duitse aanvallers. De beelden worden vertoond op drie meter hoge en twaalf meter lange filmwanden. Erboven hangen geluidsdouches waardoor de bezoeker als het ware in het verhaal komt te staan.

Als de proefvertoning start en de eerste oorlogsbeelden op de filmwanden verschijnen, vouwt Elizabeth haar handen samen onder haar kin. Hans, die achter de rolstoel staat, pakt zijn moeder vast. Samen kijken ze naar de beelden van gevechten om het vliegveld Waalhaven en naar Duitse luchtopnames van het bombardement.

De beelden brengen de oude vrouw terug naar de meidagen van 1940, waarvan ze zich er slechts twee herinnert: 10 en 14 mei. Op eerstgenoemde datum valt vlakbij haar ouderlijk huis in de Rodenrijsestraat een bom. Het zou de enige blijven in het Liskwartier, maar uit voorzorg besluiten haar moeder – een jonge weduwe met zeven kinderen tussen de 5 en 18 jaar – en de inwonende vrijgezelle tante Cor tijdelijk te verhuizen naar de aardappel-, groente- en fruithandel van tante aan de Schiedamsedijk. Daar zijn ze veilig, denken de vrouwen. Een redenering die geen stand houdt, want op 14 mei krijgt deze zaak een voltreffer. De bom verwoest de achterkant van het pand. De familie blijft ongedeerd doordat het in de kelder aan de voorkant zit.

Herinnering

Elizabeth herinnert zich hoe ze als 14-jarig meisje rond het middaguur met een schortje om in de keuken staat. Ze helpt haar moeder met het eten. „In de verte klonk het geluid van bommen die exploderen. Toen het zware gebrom dichterbij kwam, dirigeerde tante Cor ons naar het souterrain.”

In de benauwde ruimte, slechts verlicht door een peertje, wacht het gereformeerde gezin bang af, stilletjes psalmen zingend. Rippe: „Opeens ging het licht uit en voelde ik een enorme luchtdruk die me naar adem deed happen. Ik dacht dat ik stikte en had het gevoel dat mijn hoofd in elkaar werd gedrukt. Uit pure doodsangst pakte ik mijn broertje van negen vast dat voor me zat. ‘Wim zijn hoofd is er af’, gilde ik hysterisch in het donker. Ik bleef gillen. Ook toen het licht later weer aan ging en duidelijk was dat niemand iets mankeerde.”

De oude dame zwijgt even. Ze krijgt het er opnieuw koud van, zegt ze met zachte stem in de loods op het voormalige RDM-terrein. Dan vertelt ze verder. Hoe tante Cor hen dwingt de kelder te verlaten omdat de voorzijde van het pand in brand staat. Hoe ze daarna zien dat het achterste gedeelte volledig is verwoest en gezamenlijk achter elkaar in een rij de straat uit lopen richting het GGD-pand in aanbouw. Hoe ze een veilig heenkomen zoeken in de enorme schuilkelder eronder en even later alweer op straat staan omdat ook dit gebouw brandt.

Langs een relatief veilige route via de Baan en de Westzeedijk bereiken de twee vrouwen en zeven kinderen de Heemraadssingel, waar een mevrouw zich over hen ontfermt. Rippe: „Ze gaf ons water om onze kelen schoon te spoelen en onze gezichten te wassen. We zagen eruit zoals de mensen in New York na de aanslagen van 11 september: bedekt met een dikke laag grijze stof.” Via het tunneltje bij Diergaarde Blijdorp, waar Elizabeth niet onder door dorst, loopt het gezin naar de Rodenrijsestraat. Die heefthet bombardement ongeschonden doorstaan. „Alleen onze twee rijstvogeltjes lagen dood in hun kooitje.”

Haar moeder laat alle kinderen daarna knielen om God te danken dat ze het bombardement overleefd hebben. „Dat hadden we nog nooit zo gedaan.”

’s Avonds krijgt ze geen hap eten door haar keel. Slapen lukte evenmin. „Zo eindigde 14 mei 1940 voor mij. Een dag die nooit meer weg is gegaan.” Ze slikt.

Terug naar de tentoonstelling. „De beelden raken me wel hoor”, vertrouwt Rippe haar zoon toe. Hij knikt, maar vindt het zelf jammer dat het oorlogsgeraas ontbreekt. „Met beeld én geluid komt het meer binnen.” Toch vindt de gepensioneerde fysiotherapeut de proefvertoning indrukwekkend. Vooral de afgedrukte uitspraken van Duitse militairen op het strijdtoneel boeien hem, zo blijkt. „Mooi om ook die kant van het verhaal mee te krijgen.”

Kleindochter Marlieke vindt de beelden zonder geluid ook indrukwekkend. „Dit is niet zomaar naar iets kijken, maar een belevenis met dat dreigende vliegtuig in de loods en de levensgrote filmbeelden op de speciale wanden. Je krijgt de hele sfeer in plaats van alleen het verhaal”, zegt de masterstudente archeologie vol ontzag.

Dat laatste wordt groter als de gids vertelt dat onder het vliegtuig puin komt te liggen dat bewaard bleef na het bombardement. De grote bakken in de loods worden gevuld met militaire uitrusting. „Dan wordt het helemaal een experience”, reageert de jonge vrouw.

Ze kijkt met andere ogen naar de tentoonstelling vanwege haar werk in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Daardoor heeft de archeologe in spe ervaring met het inrichten van exposities. Ze reageert positief als op de filmwanden in de voormalige onderzeebootloods ook gekleurde beelden verschijnen. „Dit maakt de oorlog realistischer en minder romantisch.”

De kleindochter hoort als kind oma’s oorlogsverhalen. „Ze vertelde ze nooit uit zichzelf. Maar in de derde klas van de middelbare school interviewde ik haar voor een spreekbeurt. Daarna kwamen de verhalen los.”

De masterstudente verliest haar belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog enigszins als ze op de middelbare school wordt ‘doodgegooid’ met het onderwerp. „Het was natuurlijk wel belangrijk maar gewoon een overkill vergeleken met de rest van de geschiedenis.”

Fragmentarisch

Haar oom Hans is als kind ook al geïnteresseerd in geschiedenis. In de tweede klas van het gymnasium houdt hij een spreekbeurt over de landing van de geallieerden in Normandië. „Pas daarna kreeg ik belangstelling voor de verhalen van mijn moeder”, zegt hij terugblikkend. Een duidelijk beeld van het bombardement krijgt de gymnasiast niet, laat staan van de traumatische gevolgen voor zijn moeder. „Ze vertelde fragmentarisch en vaak als er een aanleiding was, zoals de Dodenherdenking op 4 mei, waardoor ik stukje bij beetje op de hoogte werd gebracht. Een bewuste keuze, omdat ze mijn broer, zus en mij niet wilde opzadelen met haar oorlogstrauma.”

Hoe voorzichtig zijn moeder ook is, haar oudste zoon proeft altijd wel een angst bij haar. „Toch waren de verhalen nooit beladen. Ik vond ze spannend en boeiend. Net een jongensboek.”

De museumgids leidt de drie generaties naar de hoek van de loods. Onderweg passeren ze een brisantbom, waarvan de Duitsers maar liefst 97.000 kilo dropten boven Rotterdam. „Van dichtbij lijken ze maar klein. Dat deze dingen zoveel ellende hebben aangericht”, zegt Rippe hoofdschuddend. Door deze bommen verloor ze in één klap haar jeugd. Reden waarom ze de Duitsers vurig haatte. „Het gevoel van onveiligheid dat ze me hadden gegeven en dat nooit meer weg is gegaan. Terwijl wij als Nederlanders niks gedaan hadden.”

Marlieke kan de haatgevoelens moeilijk begrijpen. „Ik ben opgegroeid in Zuid-Limburg. De Duitsers waren als het ware onze overburen. Ik kan me niet voorstellen dat ze opeens de vijand zouden zijn.”

Terwijl ze gedrieën voor de bommenwerper staan, pakt Rippes kleindochter oma nog eens stevig vast en geeft haar een knuffel. De studente is trots dat haar grootmoeder het aandurfde om de confronterende tentoonstelling te bezoeken. „Ik vind het heel knap dat ze is gegaan, omdat ik weet hoe heftig het bombardement voor haar is geweest en nog is. Ik ben ook blij dat ik er al zoveel van wist dankzij haar verhalen.”