Man, gebruik toch eens je verstand

In zijn nieuwe, spannende roman raakt een jongen getraumatiseerd door de verdwijning van zijn vader. Dertig jaar later is hij een man die zich voortdurend laat sturen door zijn gevoel.

Illustratie Enkeling

De eerste honderd pagina’s van De onderwaterzwemmer, de nieuwe roman van P.F. Thomése, bevielen me maar half, al kon ik niet precies de vinger leggen op wáár mijn ongemak nu op stoelde. Het verhaal gaat van start in 1944, als de veertienjarige Tin van Heel begint aan wat een groots avontuur moet worden. Midden in de nacht zal hij met zijn vader naar de overkant van de rivier zwemmen (bevrijd gebied!) en daar een opdracht uitvoeren die Tin niet kent, maar die op de een of andere wijze de bevrijding dichterbij moet brengen. Met zijn kleren door een riem op zijn hoofd gebonden en zijn klompen aan een touwtje dat hij tussen zijn tanden klemt, haalt Tin de overkant. Zijn vader treft hij daar echter niet aan.

Thomése blijft zijn jonge held hier dicht op de huid zitten – het boek wordt in de derde persoon verteld, maar helemaal vanuit het perspectief van Tin. Hoe het kind na zonsopkomst rillend wacht en zoekt in de uiterwaarden en bang is om met de inmiddels ontwaakte dorpsbewoners te praten: pas als hij iemand vertelt dat zijn vader zoek is, is het immers echt waar. De reddeloosheid van het kind aan de rivieroever wordt langdurig benadrukt: ‘Papa’s afwezigheid slaat dood in zijn gedachten, zo onvoorstelbaar is het, dat hij er niet is. De onbegrijpelijkheid ervan reikt verder dan de overkant, verder dan de bocht in de rivier, verder dan de grijze bewolking die de lucht dichttrekt, verder dan zijn ogen en zijn gedachten reiken. Het is niet te geloven en dus gelooft hij het niet.’

Roeiboot

Later moet hij het wel geloven: uiteindelijk wordt hij de volgende nacht in een roeiboot (zo kun je dus ook naar de overkant, is daar de pijnlijke subtekst) teruggebracht, terwijl hij duizend doden sterft als hij denkt aan hoe zijn moeder zal reageren. Hij is er zeker van dat zij hem de schuld zal geven.

In het tweede deel van de roman is het dertig jaar later en bevindt Tin zich met zijn vrouw Vic in Afrika, waar zij op zoek willen naar het dorp waar het goeddeels door haar onderhouden albinokindje Salif woont: de plaats waar al die mooie Foster Parents-tekeningen vandaan komen. Tin wil eigenlijk niet: hij onderneemt de reis voor Vic. Zelf stoort hij zich aan haar gedweep met het jongetje; hij heeft genoeg aan hun veertienjarige dochter Nikki, die thuis is gebleven.

Het Afrikaanse continent blijkt robuuster dan verwacht: al bij aankomst verliezen de Nederlanders hun bagage en Tin stoort zich onophoudelijk aan alles: de drukte, de hitte, de stank, de lokale bevolking die hij ondanks zijn goede voornemens toch gewoon ‘negers’ noemt, met hun ‘ivoren lach’. Onophoudelijk heeft hij het idee in een toneelstuk te zijn beland, ‘dat er speciaal voor hen een toeristische poppenkast wordt opgevoerd’. En keer op keer laat Thomése zijn held die onlustgevoelens (tegen zijn omgeving, tegen zijn vrouw) articuleren.

Bij een tripje in een smalle boot over een rivier wordt Tin herinnerd aan het trauma uit zijn jeugd, al krijgt dat een hoopvolle lading: ‘Het is de onbevattelijke gewaarwording dat zijn vader helemaal hiernaartoe is gezwommen om hem op te wachten in het troebele water van deze Afrikaanse modderrivier [ …] Hij kan niet goed onderscheiden of hij wordt overstroomd door een geluksgevoel of door een afgrondelijk verdriet.’ Het is de scène waaraan de roman zijn titel ontleent: het beeld van de verdwenen vader die onder het wateroppervlak zijn hele leven met de hoofdpersoon mee zwemt.

De Afrikaanse reis spiegelt uiteraard op allerlei manieren Tins traumatische jeugdavontuur en de lezer ziet van verre aankomen dat er een nieuwe beproeving zal volgen, waarvan de afloop beslissend zal zijn. Of de held bevrijdt zich van zijn schuldgevoel over het lot van zijn vader. Of hij faalt en dan zal het schuldgevoel voor eeuwig in hem vastgezet worden.

Intussen geeft De onderwaterzwemmer geen eenduidige leeservaring. Niet dat het boek niet spannend is, alle angsten van Tin worden door Thomése vakkundig aangewend om de lezer aangelijnd te houden. Het wantrouwen tegen hun omgeving die de Europese Afrika-reizigers in de ban houdt, geeft de roman alle trekken van een pageturner: je weet nooit wie er nu weer uit de bosjes komt. Thomése speelt in De onderwaterzwemmer voluit op de emoties, op een manier die je normaal gesproken eerder in de commerciële fictie zou verwachten. Het hapt lekker weg, maar veel interessante gedachten komen er niet bij kijken.

P.F. Thomése is weliswaar een schrijver die graag speelt met platheid (zie zijn van lichaamssappen doordrenkte boeken over de reizende Tilburger J. Kessels), maar wiens ambities daar ver voorbij liggen. Dus ga je je steeds meer afvragen wat hij met De onderwaterzwemmer nog méér beoogt, behalve een zielig verhaal over een beklagenswaardige, maar welbeschouwd ook nogal vervelende man, die steeds niet of te laat overgaat tot actie.

Het antwoord op die vraag zit in een wezenskenmerk van het personage Tin, of althans in wat Thomése ons van hem toont: de man bestaat uitsluitend uit gevoel. Of het nu gaat om zijn angsten aan de rivieroever, zijn observaties in Afrika, zijn gedachten over zijn vrouw en dochter, zijn wantrouwen ten opzichte van alles wat hem vreemd toeschijnt – we lezen steeds over wat Tin voelt bij wat hem overkomt. De consequentie waarmee Thomése het idee van een gevoelsmens heeft doorgevoerd is knap: het maakt Tin van Heel tot een gedenkwaardig personage – waarbij zijn achternaam meteen de ironicus Thomése zichtbaar maakt, want sinds het verlies van zijn vader is Tin natuurlijk allesbehalve ‘heel’.

Het concept heeft ook zo zijn gevolgen. Omdat gevoelens en gewaarwordingen zich eindeloos herhalen, heeft ook de roman in hoge mate iets repetitiefs, zeker in het ‘Afrikaanse’ middengedeelte. Wat Tin niet doet is nadenken, abstraheren of zich meer dan plichtmatig in een ander verplaatsen. Wanneer hij iets onderneemt, zoals meegaan naar Afrika, doet hij dat hoofdzakelijk uit angst voor ruzie – eigenlijk wacht hij met alle macht op het moment dat hij terug naar huis kan. En omdat iemands gevoel nu eenmaal een particuliere zaak is, vloeit uit al dat gevoel van Tin een woest egocentrisme voort.

Onverwachte situaties

Daarmee belanden we bij de interessante thema’s die zich onder de oppervlakte van deze roman bevinden. Want een personage waarin het gevoel de ratio zo radicaal wegveegt, kan bij een maatschappelijk wakkere auteur als Thomése niet los worden gezien van de emotiegestuurde (media-)samenleving waarin hij leeft. Je kunt De onderwaterzwemmer zo lezen als een verhaal over de hedendaagse mens, die zozeer in beslag genomen wordt door zijn gevoel dat hij niet meer in staat is om adequaat met onverwachte situaties om te gaan, tot actie over te gaan – of om zich werkelijk in een ander te verplaatsen.

Het is in elk geval precies waar de westerlingen die in dit boek Afrika bezoeken mee worden geconfronteerd: Tin komt niet verder dan een gevoel van weerzin, zijn vrouw Vic beperkt zich tot een even gevoelsmatig als naïef idealisme en hun Franse medetoerist Jean-Luc vaart al even intuïtief als noodlottig op overgeleverde noties uit de koloniale tijd. Wat geen van allen kan, is nadenken en een verstandig besluit nemen.

De vraag is natuurlijk in hoeverre je Tin zijn tekortkomingen kwalijk kunt nemen: hij is getraumatiseerd door de verdwijning van zijn vader. Kennelijk heeft niemand hem ervan kunnen overtuigen dat hij daar niet schuldig aan was. Waarbij Thomése zijn verhaal spanning geeft door zeer zuinig te zijn met informatie en ons in het ongewisse te laten over tal van zaken.

Wat zouden vader en zoon nu werkelijk zijn gaan doen aan de overkant? Was de vader écht eerder de rivier overgezwommen of had hij gepocht tegen zijn zoon en kon hij niet meer terug? Heeft de veertienjarige Tin zijn vader gesmeekt om mee te mogen en verklaart dat zijn schuldgevoel? Hoe wist de jongen zo zeker dat zijn moeder hem verantwoordelijk zou houden voor de ramp?

In het verlengde van dat trauma is angst een van de belangrijkste thema’s. Of het nu de vrees voor verlies is, voor slangen, voor ruzie, ziekte of dood – alle (verkeerde) beslissingen in deze roman zijn het directe gevolg van angst. Daarbij verdient Tins ongemak aangaande vrouwen een speciale vermelding. Of het nu zijn moeder, zijn vrouw of zijn dochter is – de vrouwen in Tins leven maken hem onophoudelijk verwijten, of zo ervaart hij het althans. Niet dat hij niet van zijn vrouw en dochter houdt, maar van wederzijds begrip is amper sprake.

Tin is nog het meest op zijn gemak als hij zich aan het eind van het boek door twee jonge mannen omringd weet: eindelijk is er iets goedgemaakt van de afwezigheid van de vader. Thomése is immers een meester, zie bijvoorbeeld ook zijn roman Vladiwostok!, in het oproepen van de genoegens van male bonding.

Afwezigheid

Verdwijning – of liever: afwezigheid – is geen onbekende in het werk van Thomése, zeker niet sinds Schaduwkind, het boek ‘over het raadsel van de afwezigheid’ dat hij in schreef na de dood van zijn enkele weken oude dochtertje. In De onderwaterzwemmer is de afwezigheid van de vader de allesbepalende factor, tot en met het beeld uit de titel waarin de afwezige vader verandert in een tot op zekere hoogte troostrijke aanwezigheid – Thomése droeg het boek op aan zijn eigen vader, die stierf toen zijn zoon eenentwintig was.

Zo biedt De onderwaterzwemmer een royale onderstroom aan thema’s en ideeën – P.F. Thomése is een te goede schrijver om een oninteressant boek te schrijven. De vorm doet voor een zo sensitieve roman verrassend veel denken aan Thomése’s werk over J. Kessels (J. Kessels. The Novel en Het bamischandaal). In die boeken stelt Thomése onder de mantel van meligheid stiekem toch van alles aan de orde. In zijn nieuwe roman is de meligheid vervangen door een welbewust, maar daarom lang niet altijd prettig sentiment. Veel minder dan het thematisch verwante Schaduwkind is deze roman een onderzoek naar afwezigheid, maar dat laatste heeft misschien met het onderwerp te maken: gevoelens zijn nu eenmaal niet de interessantste kenmerken van een mens.

Ergens in De onderwaterzwemmer staat: ‘Het verleden is geen land van gevonden voorwerpen. Het is een verhaal dat je niet meer rond kunt krijgen.’ Dat is mooi gezegd, maar het tekent ook een tekortkoming van het verhaal dat Thomése ons aan de hand van Tin van Heel probeert te vertellen. Want dat het verhaal van het verleden niet meer rond te krijgen is, is misschien wel waar, maar niet zo relevant. Ik zou zeggen dat de romankunst het land is waarin we de gevonden voorwerpen betekenis proberen te geven: en dat gebeurt in deze originele, maar al te gevoelvolle roman minder dan we van Thomése gewend zijn.