Luchtzoenend liggen we op bed

Wat ik maak komt per ongeluk tot stand, staat er in de tweede verhalenbundel van Joubert Pignon. Zijn absurdisme vergt heel wat van de lezer, maar voor wie wil is er een beloning.

Joubert Pignon schrijft plotloze verhalen Foto Merlijn Doomernik

Absurdisme is ook wel héél gemakkelijk, ben je eerst geneigd te denken over het nieuwe boek van Joubert Pignon. Dan heb je in Huil maar, ik wens je uitstel toe vooral een overdosis vreemde zaken aangetroffen waar je langzaamaan razend van bent geworden.

Nog niet bij het verhaal ‘Rijbewijs’: dat is om van te schaterlachen. ‘Ik ben zo dronken dat ik het tuutje van het blaasapparaat pas vind als de agent mijn hoofd vastpakt en naar het tuutje leidt’, is de beginzin waar je al meteen om moet lachen, en deze politieagent werkt de alcoholcontrole geheel volgens het boekje af. Leve de regeltjes en protocollen, denkt hij, leve het ophouden van de schijn! Dat is absurdisme waar we wat mee kunnen: het brengt de gekte van alledag aan de oppervlakte door die fors te overdrijven.

Zo zijn er wel meer verhalen, maar de overdreven mallotigheid wordt ook irritant. Het verhaal ‘Knikkers’ begint zo: ‘In de dierenwinkel vraagt een vrouw of we knikkers verkopen. Ze trekt haar rechterschoen uit. Ze zegt dat de knikkers niet voor haarzelf, maar voor haar zoon zijn.’ Is dit absurdisme of gemakzucht? Je zet drie zinnen onlogisch achter elkaar en je hebt je lezer alweer op een dwaalspoor gezet. Zit die lezer hiermee niet ontzettend zijn tijd te verdoen?

Dat valt dus wel mee. Joubert Pignon (1978) schrijft plotloze korte verhalen die autobiografisch geïnspireerd zijn, over een onsuccesvolle en weinig ambitieuze zondagsschrijver die vaak ladderzat is en leeft van zijn baan in een dierenwinkel. En al komt het niet erg wervend over als je Pignons verhalen beschrijft als autobiografisch, plotloos en absurdistisch: er is wel degelijk waarde en een onderliggende betekenis te geven aan deze constructie.

Het lijkt juist de bedoeling van Huil maar, ik wens je uitstel toe om ons murw te beuken met meer absurdisme dan we kunnen verdragen. Het eerste effect daarvan is dat die paar verhalen die niet uit de bocht vliegen er extra door opvallen: in die meer realistische verhalen ben je extra op je hoede voor iets geks. Dat is dan, bijvoorbeeld in het verhaaltje over een begrafenis, iets wrangs. Na de begrafenis gaan de ruziënde familieleden uiteen zonder elkaar gedag te zeggen: ‘Ik zie ze met een doos cake naar de auto lopen. Ik roep naar ze dat ze de cake terug moeten geven, zodat we de cake eerlijk kunnen verdelen. Ze kijken niet om.’ Ja, denk je, zo absurd doen mensen.

Pignon speelt ook met saaiheid en herhaling: veel van de anekdotische verhalen lijken inwisselbaar. Daar komt nog bij dat Pignon de anticlimax tot kunst heeft verheven. Verhaaltjes worden nauwelijks naar een hoogtepunt opgebouwd en ook niet echt afgerond. Ze kachelen voort en stokken dan.

Die opbouw voelt als een goed argument om Huil maar, ik wens je uitstel toe niet alleen als verzameling losse stukjes te zien, maar als roman-in-verhalen, als uitsneden van één leven (dat immers, volgens goed postmodern inzicht, van zichzelf geen narratief kent: de ordening breng je zelf aan). ‘Ik maak steeds kleine stukjes, takjes, steentjes, die wanneer je ze bij elkaar legt een heel kunstwerk vormen. Wat ik maak komt per ongeluk tot stand. Ik denk niet aan een eindresultaat’, schrijft Pignon ergens.

Dat eindresultaat moet iedere lezer dus zelf maken, maar dat is wel de moeite waard. Wat mij betreft rijst dan het beeld op van iemand in wiens hoofd werkelijkheid en fantasie prettig door elkaar lopen, iemand die zich elke dag toch maar weer uit zijn bed hijst omdat er dingen te verzinnen vallen. Veelzeggend zijn dan de anekdotes over de hoofdpersoon en zijn jeugdvriend Harold, die fantaseren over de meisjes in hun klas: ‘We lagen luchtzoenend met ze op bed en deden alsof ze zich schikten naar onze wil.’ Verzinnen geeft macht, betekenis en het verdrijft de saaiheid: zo krijgt Pignons absurdisme alsnog ware betekenis.