Knal, alweer een haas

‘Loop nooit met lege handen naar de keuken.’ Het is een van de vele levenslessen die in het collectieve geheugen van veel Nederlanders staan gegroefd, en die onmiddellijk een beeld oproepen van... ja, van wat eigenlijk? Van typisch Nederlandse efficiëntie, en van een consequente, zij het licht vreugdeloze systematiek waarmee veel mensen zijn opgevoed. Want o, wat is dit herkenbaar. Net als ‘Alles waar te voor staat is slecht, behalve tevreden’. Of ‘Husse met je neus ertussen’.

Deze uitspraken zijn – met nog honderden andere, vaak obscuurder – verzameld in een boekje dat reclameschrijver Jaap Toorenaar met hulp van Onze taal maakte. Hij stelde op de site de vraag ‘Wat zeiden uw ouders altijd’. De reacties zijn verzameld, gerubriceerd en (soms) toegelicht. Nu staan al deze tijdloze wijsheden in Mijn moeder zei altijd. Gezien het grote succes (het boekje staat al twee weken in de top 10 van de CPNB bestsellerlijst), is dit precies wat we willen lezen: toen-taal-nog-heel-koddig-was-nostalgie. Het past geheel met het toen-was-geluk-nog-heel-gewoon-gevoel dat ook al sprak uit het boekje Gouden Jaren van Annegreet van Bergen, vol foto’s en teksten over het jaren ’50-alledaagse geluk. (Het omslag heeft dan ook associaties met een Delfs blauw tegeltje).

Toorenaar heeft de uitspraken thematisch bij elkaar gezet, wat de verrassing verkleint, maar de meligheid soms vergroot, zoals in het hoofdstukje ‘Toiletbezoek’ (er zijn moeders die trouwens zeggen dat je geen toilet mag zeggen), dat voor een significant deel gevuld wordt met dingen die je kunt zeggen na een scheet. ‘Mijn vader zei altijd als hij een harde wind had gelaten: “Knal. Alweer een haas!”’ of ‘Een boer is een scheet die de weg naar de reet niet weet.’ Of: ‘Roggebrood met stroop erin, dan komen ze vanzelf er weer uit.’

Alleen is die laatste niet van een opvoeder, maar van Frits van Egters, uit De Avonden. Want geur (pardon) van de jaren vijftig dampt (pardon) er vanaf, en onwillekeurig doet Mijn moeder zei altijd je constant denken aan Reve’s boek. Bladerend waan je je in het benauwende gezin Van Egters, en je vraagt je, met hem, af: ‘Waarom word ik gestraft met een geheugen vol kwellingen? De mensen lachen, zonder dat er ook maar de geringste aanleiding tot lachen bestaat.’