Jeugdigheid won het van de ellende

De moeder van Arnon Grunberg beleefde als kind de gruwelen die je onder het nazibewind kon meemaken. Maar ze overleefde dankzij haar opgewekte aard. Haar verslag is een aanwinst voor de kampliteratuur.

Hannelore Klein, Amsterdam, 1956

Zeventig jaar na de bevrijding duiken nog altijd nieuwe getuigenverslagen uit de Duitse concentratiekampen op die je voorstellingsvermogen te boven gaan, met name als ze de ‘gewoonheid’ van het kampleven belichten. Het is vooral vervreemdend als zo’n ooggetuige zijn of haar ‘geluksmomenten’ achter prikkeldraad beschrijft, zoals Imre Kertész deed in Onbepaald door het lot, zijn autobiografische roman over zijn gevangenschap in Dachau. Die geluksmomenten troffen me ook in Zolang er nog tranen zijn, de kampherinneringen van Hannelore Grünberg-Klein, de moeder van schrijver Arnon Grunberg. Anders dan bij Kertész, in wiens werk literaire kwaliteiten allesbepalend zijn, overheersen bij haar nauwkeurigheid en nuchterheid, die de authenticiteit van haar verslag alleen maar versterken. Bovendien bevat haar boek allerlei nieuwe details uit het dagelijks leven in de concentratiekampen, wat het tot een belangrijke aanwinst in de kampliteratuur maakt.

In het eerste hoofdstuk beschrijft Hannelore haar kinderjaren in een joods middenstandsgezin in Berlijn. Ze schrijft er met humor over, zoals in de passage waarin ze vertelt hoe haar ouders een meisje in dienst namen dat haar moest voeren op de maten van een daartoe aangeschafte speelgoedcarrousel: ‘De associatie van de muziek met het eten maakte mij bij het horen ervan al misselijk. Het meisje at het eten dat voor mij was bestemd zelf op en was dus vlug klaar met het “voeren”.’

Ook schetst ze het joodse Berlijn van haar kleuterjaren. Ze neemt je mee naar de Tiergarten, het park waar joden elkaar op sjabbat-namiddag troffen. Daarna voert ze je het vermaarde joodse café Dobrin op de Kurfürstendamm binnen, dat door de nazi’s zal worden verwoest.

Joodse burger

De Kristallnacht van 1938 maakte een einde aan die gelukkige kindertijd, waarin Hannelore nooit iets van jodenhaat heeft gemerkt. Over dat keerpunt schrijft ze: ‘De droom van de Duitse Joodse burger was uitgedroomd.’ Bijna iedere ‘joodse burger’ die ze de komende twaalf jaar ontmoet, zal de oorlog niet overleven.

Regelmatig memoreert ze hun namen en krijg je bijna de indruk het geslachtsregister van het Oude Testament te lezen. In die zakelijke opsomming verbergt Hannelore haar verdriet. Op zo’n moment besef je dat ze een overleversmentaliteit heeft. Haar emoties heeft ze in de kampen achtergelaten.

In mei 1939 vertrekt de familie Klein, bestaande uit Hannelore, haar ouders, en haar grootouders, tante en nicht van moederszijde, samen met negenhonderd andere Duitse joden op het passagiersschip de St. Louis naar Cuba. Maar daar laten de corrupte autoriteiten hen, onder druk van de nazi’s, niet aan wal, zogenaamd omdat ze de Cubaanse economie schade zouden berokkenen. Na een maand van rondzwerven en afwijzingen keert het schip naar Europa terug en zijn uiteindelijk België, Nederland, Frankrijk en Groot-Brittannië bereid de passagiers op te nemen. Hannelore en haar familieleden belanden in Nederland, waar ze meteen worden geïnterneerd, eerst in het Rotterdamse quarantainecentrum Heijplaat, en na zes weken in het Lloyd Hotel in Amsterdam. Wat ze hierover vertelt is vrij uniek, omdat er weinig bekend is over het verblijf van de Duitse joden op die locatie. Zo krijgen Hannelore’s ouders eens in de veertien dagen van het Joodse vluchtelingencomité een briefje waarmee ze op sjabbat een maaltijd kunnen nuttigen bij een Pools-joods echtpaar, dat op een kleine bovenwoning een huiskamerrestaurant heeft.

Het interessantste deel van deze herinneringen begint als Hannelore en haar ouders na de Duitse inval per boot en vrachtauto naar Westerbork worden overgebracht. Hier beleeft ze een bijna idyllische tijd, die vier jaar duurt. Ze wordt lid van jeugdvereniging de Schülerkreis en raakt verliefd op de jeugdleiders. Ook geniet ze van de kampschool, het zingen van Hebreeuwse liedjes, jeugdsjoeldiensten en sportactiviteiten. In Hannelore’s Westerbork, dat pas vanaf juli 1942 onder bevel van de Duitsers valt, hangt bijna de opgewekte sfeer van een kibboets. De enige mineurtonen klinken als ze tussen haar herinneringen door vermeldt wie van haar vrienden en kennissen niet uit de ‘hel van de diverse Holocaustkampen’ zijn teruggekeerd.

Geluk

De Kleins behoren in Westerbork tot de ‘bevoorrechten’, omdat Hannelore’s vader in de Eerste Wereldoorlog aan het front heeft gevochten en onderscheiden is. Door die status ontkomt het gezin lange tijd aan deportatie naar het Oosten. Maar aan die ‘rust’ komt een einde, als begin 1944 ook de frontstrijders op transport naar Theresienstadt moeten. En dan lees je: ‘Wij kinderen waren zeer nieuwsgierig naar het nieuwe dat ons te wachten stond, niet vermoedend dat het alleen maar ellende zou betekenen.’

Door de zeldzame combinatie van geluk, haar opgewekte karakter, haar jonge leeftijd (waardoor ze te werk gesteld kon worden), haar naïviteit en het naderende einde van de oorlog overleeft Hannelore Theresienstadt, Auschwitz en Mauthausen. In dat laatste kamp wordt er geen kampnummer op haar arm getatoeëerd, maar krijgt ze een metalen penning met een nummer aan haar jurk bevestigd.

Onderbewust lijkt Hannelore wel degelijk te beseffen dat de dood op haar loert. Zoals in Theresienstadt, als haar vader op transport naar Auschwitz moet en haar moeder haar voorstelt om bij de treinen een goed woordje voor hem bij de kampcommandant te doen. Die treinen staan op verboden terrein, achter een poort. Als je door die poort glipte kon je de doodstraf krijgen. Ze beschrijft het zo: ‘Meerdere keren nam ik een aanloop om te volbrengen wat mama zo graag wilde. Iedere keer kwam ik onverrichterzake terug en vond mezelf erg laf.’ Een week later moeten Hannelore en haar moeder ook naar Auschwitz, met een van de allerlaatste transporten. En opnieuw lees je haar recept voor overleven, als ze in de krappe, volgeladen veewagon zit: ‘Mijn jeugdigheid won het van ellende, moeheid en honger’.

Over haar verblijf in Auschwitz schrijft Hannelore dat ze niet doorhad wat daar gebeurde. Van de gaskamers wist ze niet. Hoogstens bezorgden de schoorstenen met hun donkere rookwolken haar een bedrukkend gevoel. Als haar moeder door de SS voor de gaskamer wordt geselecteerd, wil Hannelore achter haar aanlopen. ‘Da geht meine Mutter,’ zegt ze tegen een SS’er, ‘darf ich da auch mitgehen?’ De SS’er vraagt hoe oud ze is en stuurt hij haar daarna de andere kant op. Haar moeder loopt als een slaapwandelaarster door, zonder om te kijken. Het is een aangrijpende passage, die alles verklaart.