Is zwanin een zwaneres?

De versjes van dichtersechtpaar Hans en Monique Hagen zijn op hun best als ze je met schijnbaar simpele woorden toch het bos in sturen – zoals een kind meemaakt dat kennismaakt met de wondere wereld van de taal. Kinderpoëzie verwoordt die verwondering. Zo staat er in het openingsgedicht, steevast hoofdletter- en leestekenloos: ‘ik denk nooit aan niets/ want als ik dat probeer/ denk ik stiekem toch aan iets’.

Nog een kwaliteit van Hagenpoëzie, bekend van de succesbundel Jij bent de liefste (2000): schattigheid. Die werkt nu ook goed in het bitterzoete ‘Beer’: ‘ver weg in de bergen/ in een ander land/ zit mijn beer/ vergeten/ op een steen/ altijd op vakantie/ helemaal alleen’. De pijn ligt dan bij de beer, óók op de versterkende illustratie van Charlotte Dematons, van de knuffelbeer in een desolaat sneeuwlandschap – terwijl het ware gemis natuurlijk bij het knuffelloze kind zit.

Maar Nooit denk ik aan niets is een nogal wisselvallige bundel: van de 24 gedichten zijn er acht raak, in de rest gaan verschillende dingen mis. Het blijft voorspelbaar, zoals in het gedicht over een zweefmolen (‘ik vlieg hoger/ en hoger/ ik adem/ ik zweef/ ik lach/ ik leef’). Of het blijft bij een mager idee: de opsomming van wat de wind allemaal kan doen, van gieren tot suizen, dooft uit en vervliegt. Of een gedicht eindigt al te expliciet, waardoor het als een anticlimax voelt. Een taalspel over mannen- en vrouwennamen (‘is zwanin een vrouwtjeszwaan/ of heet ze zwaneres’) krijgt een zoet slot (‘een heer is een hij/ een dame is zij/ en jij bent de liefste/ jij hoort bij mij’) waarvan het gedicht nogal onpoëtisch wordt.

De beste gedichtjes zijn impliciet lief en lichtelijk bevreemdend, maar hier is de balans tussen schattigheid en raadselachtigheid te vaak scheef. Hetzelfde zie je bij de illustraties van Dematons: op z’n best lekker losbandig, soms al te realistisch. Voor zulke ervaren makers valt die score tegen.