Hilsenraths onbehouwen vertelkracht is meeslepend

In de autobiografische roman De belevenissen van Ruben Jablonski beschrijft Edgar Hilsenrath (Leipzig, 1926) het leven van zijn alter-ego tot diens vertrek op 23-jarige leeftijd naar Amerika. In dat leven is dan al zo schrikbarend veel gebeurd, dat het een raadsel is hoe Hilsenrath het in 270 bladzijden weet te krijgen.

De onbezorgde kinderjaren van de joodse Ruben in een dorp nabij Leipzig, de opkomst van het nationaal-socialisme, het vertrek naar Roemenië in de vergeefse hoop daar veilig te zijn, de deportatie naar Mogilev-Podolski in Oekraïne en het overleven in het getto daar – voor dat alles trekt Hilsenrath nog geen vijftig bladzijden uit.

Weliswaar heeft hij de jaren in het getto al huiveringwekkend opgeroepen in zijn debuutroman Nacht, maar het blijft opmerkelijk om de verschrikkingen van de deportatie op topsnelheid behandeld te zien. Na de bevrijding door Russische troepen schakelt Hilsenrath iets terug, maar ook dan zit de vaart er nog altijd stevig in.

Ruben beproeft zijn geluk in het Britse mandaatgebied in Palestina. Rondzwervend heeft hij losse baantjes en wisselende seksuele contacten, die met mannelijke bravoure worden beschreven. Hilsenrath maakt knap voelbaar hoe onder de joodse immigranten niet alleen de opwinding vanwege het ontstaan van de staat Israël toeneemt, maar ook de bezorgdheid over de botsingen met de Arabische bevolking. ‘De joden waren strak georganiseerd. Op de een of andere manier lukte hun alles [...] Bij de Arabieren lukte niets.’

Vlak voor het uitroepen van de staat Israël vertrekt Ruben; hij heeft zich nooit thuis gevoeld. Na de hereniging in Frankrijk met zijn ouders en broer zou hij een aanvaardbaar leven moeten kunnen leiden, maar hij wordt depressief. Tegenover een psychiater verklaart hij dat hij niet door zijn gruwelijke ervaringen in het getto wordt gekweld, maar door zijn onvermogen er een roman over te schrijven.

Maar dan leest hij Arc de Triomphe (1945) van Erich Maria Remarque – bondig, razend spannend, en ‘dialogen zoals ik ze nog nooit had gelezen’ – en eindelijk vloeit Nacht uit zijn pen. Op de boot naar Amerika verkondigt hij zelfbewust dat hij schrijver is.

Dit verhaal over de genese van Nacht heeft bij lange na niet de lading van Hilsenraths gelijknamige debuutroman, het bevat geen enkele memorabele zin, wel veel dialogen, flauwe grapjes, het is zelfs wat onhandig geschreven hier en daar, maar het toont óók aan hoe weinig stilistisch raffinement ertoe doet als iemand die echt een verhaal te vertellen heeft de sluizen open gooit, want De belevenissen van Ruben Jablonski (1997) is een boek dat je moeilijk weg kunt leggen. Overigens valt niet uit te sluiten dat die indruk van onbehouwen vertelkracht nu juist het gevolg is van stilistisch raffinement.