Het goede komt de mens soms de keel uit

De Zwitserse filosoof, en auteur van Nachttrein naar Lissabon, analyseert en oordeelt zorgvuldig in zijn nieuwe boek over de menselijke waardigheid aan de hand van voorbeelden uit literatuur, toneel en film.

Peter Bieri

Tegen het einde van Een manier van leven, zijn zoektocht naar het wezen van de menselijke waardigheid, vertelt de Zwitserse filosoof Peter Bieri een korte anekdote. Over zijn vroegere docent Latijn, die hij bij toeval in een verzorgingstehuis tegenkomt. Hij heeft last van duizelingen en laat alles uit zijn handen vallen. ‘Thuis ging het niet meer.’

Maar in het verzorgingstehuis ging het ook niet. Wanneer een verpleegster een patiënt vanwege haar werkschema al om half zes in bed stopt, gaat de voormalige docent ervandoor. Bieri zoekt hem op in Athene, waar hij zijn dagen zielsgelukkig slijt. In het café glippen hem de glazen nog altijd af en toe uit zijn vingers, maar dat geeft niet. De cafébaas ruimt geduldig de scherven op. Kort na zijn bezoek ontvangt Bieri zijn overlijdensbericht. ‘Door een bus overreden. Een ongeluk. Naar verluidde.’

Dat voorval had de inspiratie kunnen zijn voor de roman Nachttrein naar Lissabon, waarmee Bieri – onder het pseudoniem Pascal Mercier – tien jaar geleden een internationaal publiek veroverde. Ook daarin ging het om een classicus die na een miniem voorval zijn geregelde bestaan opgeeft, afreist naar Portugal en daar de betekenis van zijn leven ontdekt. Alleen het einde verschilt; in de roman gaat de hoofdpersoon uiteindelijk terug naar Zwitserland, misschien óók om er te sterven.

Een manier van leven is geen roman. Net als in zijn verhandeling Het handwerk van de vrijheid, dat vlak na Nachttrein naar Lissabon verscheen, bedrijft Bieri er zijn stiel als filosoof volgens de mores van het vak. Hij analyseert, abstraheert, brengt onderscheidingen aan en oordeelt: dit is wél en dit is níet een authentiek voorbeeld van menselijke waardigheid.

Dat leidt tot heldere inzichten, steeds zorgvuldig beargumenteerd. Over de vraag wanneer medelijden de waardigheid van de ander kwetst, of juist bevestigt. Waarom rechtsgelijkheid daarvoor noodzakelijk is, en eerbiediging van de private sfeer onontbeerlijk. En wat waardigheid met zelfrespect te maken heeft.

Leesclubs

Anders dan in zijn eerdere verhandeling over de vrije wil maakt Bieri in dit boek veelvuldig gebruik van voorbeelden uit de literatuur, het toneel en de film. Willy Loman uit Dood van een handelsreiziger komt regelmatig voorbij. Net als Sophie uit William Styrons Sophie’s Choice en het echtpaar George en Martha uit Albees Wie is er bang voor Virginia Woolf. Dat maakt de analyses herkenbaar en behoedt het boek voor al te droge theorie. Leesclubs kunnen er hun voordeel mee doen. Maar er schuilt ook iets irritants in Bieri’s morele traktaat. Het gaat er in zijn eindeloze uitsplitsingen van het waardige leven wel érg braaf aan toe. Dat is in het genre van de ethiek misschien moeilijk te vermijden. Maar af en toe snak je naar de erkenning van de menselijke ondeugd, die misschien óók wel iets aan die waardigheid bijdraagt.

Bieri heeft in dit boek weinig op met de rafelranden van het keurige, die niet alleen maar aantrekkelijk zijn omdat wij nu eenmaal volgens de Heidelbergse catechismus geneigd zijn tot alle kwaad. Ze bekoren ons ook omdat het al te goede ons op een zeker moment de keel uitkomt.

Zo zal Bieri ongetwijfeld gelijk hebben met zijn herhaaldelijk bezworen afkeer van prostitutie of peepshows. Maar zijn uiteenzetting zou winnen bij de erkenning dat ‘schuldig’ exhibitionisme zijn eigen aantrekkelijkheid kan hebben. In dezelfde mate zou zijn afbakening van wat menselijke waardigheid is erbij inboeten – maar misschien liggen de zaken wel niet zo helder als de filosoof zou willen.

Echtheid

Hier wreekt zich misschien de systeemdwang waaraan een verhandeling gemakkelijk gaat lijden. En betoont de roman zich superieur – hoewel Bieri in Nachttrein naar Lissabon zich evenmin veel ondeugendheid veroorloofde. Verhalende fictie biedt spelenderwijs plaats aan een veelvoud van stemmen, willen en visies, die niet per se tot een eenheid hoeven te worden gebracht.

Wat het traktaat wint aan eenduidigheid, verliest het gemakkelijk aan echtheid. Dat is misschien nog wel meer dan onze voorkeur voor het ‘verhaal’ de reden waarom we liever romans lezen. Gebrek aan theoretische scherpte nemen we dan graag op de koop toe – als het al niet regelrecht een pré is.

Want neem het voorbeeld dat Bieri afleidt uit de Duitse wet die de autoriteiten verbiedt gekaapte vliegtuigen uit de lucht te schieten om daarmee andere doelen (stadscentra, kernreactoren) te beschermen. De wetgever besloot dat daarmee de gegijzelde passagiers gereduceerd zouden worden tot een louter instrument ter vrijwaring van anderen, zo stelt Bieri vast. Minstens sinds Kant is zo’n reductie een ethische doodzonde.

Maar ook de waardigheid van wie zouden moeten schieten is daarmee in het geding, schrijft Bieri vervolgens. Ook zij zouden slechts instrument worden ter wille van een doel. ‘Zoals,’ zo besluit hij, ‘men de piloten van Hiroshima en Nagasaki had moeten beschermen.’ Hier bereikt de filosofisch-juridische casuïstiek haar top. Een aantal van die vliegeniers bleef er tot aan het einde van hun leven vast van overtuigd dat zij met het afwerpen van hun bom het enig juiste hadden gedaan.