Hermans was een groot schrijver, maar typen kon hij niet

‘Schrijfmachine stuk. Schrijver ook.’ Het was een geweldig kaartje dat Willem Frederik Hermans op 17 augustus 1955 aan Geert van Oorschot stuurde. Het maakte deel uit van de loopgravenoorlog tussen schrijver en uitgever: Hermans had geen zin meer om verder te werken aan een ‘kleine roman’ voor Van Oorschot, maar die laatste hield hem aan het contract dat beiden er een jaar eerder over hadden gesloten. Ik moest aan de ‘kleine roman’ (De donkere kamer van Damokles) denken toen de Hermans-schrijfmachinetentoonstellingscatalogus werd bezorgd. De aanleiding is een expositie in Gent, waar de in Nederland uitgeprocedeerde apparaten (niemand wilde ze hebben) sinds een paar jaar worden verzorgd.

In het boek staat een stuk van Peter Terrin, die een prachtig beeld geeft van Hermans die op de foto staat met een ander apparaat, een microscoop: ‘Het lijkt verdorie wel of de schrijver die bekend stond als een ziekelijke querulant en wraakzuchtige polemist zich in een toestand bevindt die toch wel sterke gelijkenissen vertoont met wat in de volksmond en damesbladen verzameld wordt onder de noemer “geluk”.’ Eigenlijk begon ik met tegenzin aan Nooit meer typen, zoals het boek heet. De typemachines van Hermans vallen voor mij in de categorie katten, Berlijn en de zeer korte verhalen van A.L. Snijders: fijne fenomenen, maar volkomen doodgedweept. Toch blijkt er een schat in het boek te zitten. Niet in de gelikte foto’s van linten, toetsen en hamers, maar in de reproductie van de blaadjes waarop Hermans testzinnen tikte: ‘ikhoop nu maa dat het rotding het doet’ en ‘Dan don we maar of h et een prachtmachine is.’ Hermans was misschien een groot schrijver, hij kon niet typen.

De auteur blijkt een voorkeur voor het woord ‘prachtmachine’ te hebben. Andere testblaadjes zetten aan tot het decoderen van de geheime boodschappen waarvan je vurig hoopt dat die erin verstopt zitten. Zoals ‘!é"'(-è’, een paar onleesbare regels verder gevolgd door een goedgemutst: ‘aardappel!!!!’ Vaak uit Hermans zijn klachten over de machine die hij aan het uitproberen is en staat er WAT EEN ELLENDE DAT DEZE MACHINE DIE HET OVERIGENS HEEL GOED DOET, een slechte regelverspringing heeft///?Je zou het overigens niet geloven, als je het in een roman laz!’

Maandag is Hermans twintig jaar dood. Op Koningsdag, wat eigenlijk zeer passend is. Er is immers geen dag in het jaar waarop je je in Nederland zo eenvoudig kunt inleven in het gevoel dat door Hermans op zijn allereenvoudigst werd verwoord: Door gevaarlijke gekken omringd. Maandag denken we dus tussen de hossende cultuurdragers aan dat ene zinnetje dat Hermans ooit ondersteboven tikte op een blaadje waarmee hij een weerspannige IBM probeerde te temmen:

De moed niet verliezen.