Geschiedenis van Armeense genocide zal blijven opspelen

Ook al is het honderd jaar geleden gebeurd, de massale slachting van Armeniërs in het Ottomaanse Rijk blijft een bron van bitterheid en politieke spanningen. Dat komt niet alleen door de enorme omvang van het drama, waarbij 800.000 tot een miljoen mensen zijn omgebracht. Het heeft zeker zo veel te maken met de hardnekkige weigering van achtereenvolgende Turkse regeringen om te erkennen wat zich in die chaotische nadagen van het Ottomaanse Rijk heeft afgespeeld.

Dat was niet alleen, zoals Turkije zegt, een bloedig conflict waarbij veel Armeniërs omkwamen zoals tijdens en na de Eerste Wereldoorlog ook andere bevolkingsgroepen veel doden te betreuren hadden. Er is voldoende historisch bewijs dat de Ottomaanse regering de Armeniërs op planmatige wijze liet vermoorden en verdrijven, om deze christelijke bevolkingsgroep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Er was dus, volgens de definitie van de Verenigde Naties, sprake van genocide.

De Turkse regering spreekt dat niet alleen tegen, maar verkettert iedereen die het woord genocide, of volkerenmoord, gebruikt voor deze zwarte bladzijde in de Turkse geschiedenis. Dat ondervond onlangs paus Franciscus, toen hij een verklaring van een van zijn voorgangers aanhaalde waarin over de slachtpartijen werd gezegd dat deze „in het algemeen worden aangeduid als de eerste genocide van de twintigste eeuw”. Zelfs die indirecte uitspraak vond Ankara „onacceptabel”. Volgens premier Davutoglu was het een teken dat de paus zich had aangesloten bij een „front van het kwaad”.

Zulke overdreven en onzinnige reacties – ook op landen, politici en anderen die de genocide erkennen – zijn eerder een teken van zwakte dan van kracht van de Turkse leiding. De afgelopen jaren was er juist enige reden tot hoop, omdat er in Turkije wat meer ruimte voor debat over de kwestie ontstond. Binnen de muren van universiteiten en in boeken werd het allengs mogelijk het gewraakte woord te gebruiken. Wie van genocide spreekt, hoeft ook niet meer voor een strafrechtelijke veroordeling te vrezen.

Maar president Erdogan en zijn regering bedienen zich nu weer volop van de retoriek dat erkenning van de genocide een aanval is op het Turkse volk en de Turkse identiteit. Daarmee vertolken ze vermoedelijk de opvatting van een groot deel van de Turken. Maar ze zouden hun juist een dienst bewijzen door hen niet te sterken in de blinde ontkenning van de gebeurtenissen van een eeuw geleden, die vandaag door Armeniërs overal ter wereld worden herdacht. Zolang de geschiedenis wordt ontkend zal ze blijven opspelen – en Turkije vervreemden van vrienden en bondgenoten.