Genocide, precies een eeuw geleden

Het blijft een spijtzwam: het lot van omstreeks een miljoen Armeense doden in het Osmaanse Rijk, nu Turkije. Vandaag wordt deze volkerenmoord herdacht.

Militairen bij de skeletten van een uitgemoord Armeens dorp on Oost-Turkije.

‘Stel dat een varken een diamant inslikt, zou je dan de diamant of het varken willen sparen? Dat juweel, die diamant moet niet geofferd worden om het Armeense zwijn in leven te houden.’

Mazhar Müfit, afgevaardigde uit de Turkse provincie Hakkâri

‘Hun bestaan moest worden beëindigd, hoe tragisch de genomen maatregelen ook mogen zijn, en dit zonder rekening te houden met leeftijd, geslacht of gewetensbezwaren.’

Minister van Binnenlandse Zaken Talaat in een telegram, 15 september 1915.

‘Waarom zouden we onszelf moordenaars noemen. Wat gebeurd is, moest de toekomst van ons vaderland veilig stellen, dat ons heiliger en dierbaarder is dan ons eigen leven.’

Afgevaardigde Hasan Fehmi bij een zitting van het Turkse parlement, 17 oktober 1920

‘Met groot genoegen kan ik u meedelen dat […] mijn provincie is ontdaan van christelijke elementen. Twee jaar geleden was 80 procent van de kooplieden en zakenmensen christen. Nu is 95 procent moslim en 5 procent christen.’

Verslag van Mustafa Abdülhalik Renda, gouverneur-generaal van Aleppo, aan het ministerie van Handel.

‘Je kunt erover twisten of het woord ‘doden’ synoniem is aan ‘deportatie’. Gebruik het woord zoals je wilt. Maar het verandert echt niets aan wat er werkelijk gebeurde.’

Ç. Hasan, Ottomaans legerofficier die ontslag neemt wanneer hij beseft dat de Armeniërs gedood worden.

‘Ze zijn vrijwel zeker allemaal dood, en hebben geen erfgenamen die het uit te keren bedrag kunnen innen. Het geld vervalt vanzelfsprekend aan de Staat.’

De Turkse minister van Binnenlandse Zaken Talat in een brief aan Henry Morgenthau, ambassadeur van de Verenigde Staten. Talat vraagt hierin om een volledige lijst van alle Armeniërs die een levensverzekering hebben afgesloten bij een Amerikaanse maatschappij.

‘De mannen worden buiten de dorpen verzameld en daar omgebracht, de jonge vrouwen en huwbare meisjes verkracht en geroofd, de overige vrouwen en kinderen naar andere gewesten, dikwerf in de woestijn, getransporteerd, waar velen verhongeren.’

Rapport van 1 september 1915 van de Nederlandse gezant in Constantinopel, Van der Does de Willebois, aan minister van Buitenlandse Zaken J. Loudon

‘De minister van Binnenlandse Zaken alhier heeft zich onlangs laten ontvallen dat zijn regering de wereldoorlog wil gebruiken om de interne vijanden, te weten de christenen, uit de weg te ruimen.’

De ambassadeur van Duitsland in het Ottomaanse Rijk.

‘Dat ik een dokter ben, kon me mijn nationaliteit niet doen vergeten! Reshid is een arts, maar hij werd geboren als een Turk. Of de Armeniërs zouden de Turken elimineren, of de Turken zouden de Armeniërs elimineren. Ik aarzelde geen moment toen ik werd geconfronteerd met dit dilemma. Mijn Turkse identiteit nam de overhand over mijn beroep. Ik dacht: voordat zij ons uitroeien, roeien wij hen uit. Op de vraag hoe ik, als arts, heb kunnen moorden, kan ik als volgt antwoorden: de Armeniërs waren gevaarlijke microben in het lichaam van dit land geworden. Nou, is het niet de plicht van een arts om bacteriën te doden?’

Dr. Mehmed Reshid (1873-1919), gouverneur van Diyarbekir tijdens de genocide