Walk the Line

(James Mangold, 2005). De biopic over de fameuze countryzanger Johnny Cash begint als de ‘Man in Black’ de tanden van een houtzaag betast. Het is 1968. We zijn backstage in de Folsom-gevangenis, vlak voor Cash opgaat en er zijn legendarische concert geeft. Maar voordat we het optreden te zien krijgen – daar eindigt de film mee – worden de significante momenten uit Cash’ leven getoond, van zijn eerste opnamen voor het Sun-label tot en met de plaat At Folsom Prison. De houtzaag verwijst naar hét trauma van Cash, de dood van zijn broertje en de daaruit voortvloeiende wrok van zijn vader.

Cash (Joaquin Phoenix) was jaren verslaafd aan amfetamine, die het toeren en de druk van een succesvolle carrière wat draaglijker moest maken. Door die verslaving verloor zijn grote liefde June Carter (Reese Witherspoon) een tijdlang haar respect voor hem. Een film over een muzikant kan natuurlijk niet zonder liedjes. Regisseur Mangold is het beste in het ensceneren en variëren van concerten, opnamen en repetities en hij ontdoet het jachtige muzikantenbestaan van zijn romantiek en glamour.

André Waardenburg