Een driftige opportunist

De fameuze architect had radicale plannen, zoals het slopen van de Rive Droite van Parijs. Een groot ego dat 78 gebouwen naliet en die voor elke dictator wel wilde bouwen.

Le Corbusier voor een maquette van een wolkenkrabber in Algiers, 1945 Foto Robert Doisneau/Gamma/Getty Images

Op een mooie augustusdag in 1965 zagen twee Franse jongens om tien uur ’s ochtends een lichaam drijven in de Middellandse Zee bij Roquebrune-Cap-Martin. Het bleek Le Corbusier te zijn, de beroemdste architect ter wereld. Zoals zo vaak tijdens zijn zomervakanties in zijn cabanon, zijn zelf ontworpen houten hut, was Le Corbusier (1887-1965) ’s ochtends om een uur of negen gaan zwemmen. ‘Iets meer dan honderd meter uit de kust kon hij, bij de eerste grote golf, zijn armen en benen niet meer bewegen’, schrijft de Amerikaanse journalist/schrijver Anthony Flint in het laatste hoofdstuk van Modern Man. The Life of Le Corbusier, Architect of Tomorrow. Toen zijn hoofd onder water verdween, zag hij misschien de zeeëgels waar zijn overleden vrouw Yvonne zo dol op was, voegt hij eraan toe.

De beschrijving van Le Corbusiers laatste minuten is tekenend voor Flints biografie van de architect van 78 veelal invloedrijke gebouwen in twaalf landen en schrijver van tientallen boeken. Zo weet hij bijvoorbeeld ook te vertellen wat Le Corbusier dacht toen zijn vliegtuig landde in Noord-India waar hij in de jaren vijftig Chandigarh, de nieuwe hoofdstad van Punjab, ontwierp. ‘Hij leunde tegen het ovalen raam van het vliegtuig en stelde zich een raster voor om de mensheid te organiseren, een orde die opgelegd moest worden aan de steeds dichter bevolkte natie.’

Flint maakt niet alleen gebruik van fictieve elementen, maar is soms ook niet precies in de feiten. Zo is de 16de eeuw volgens hem ‘de eeuw van Voltaire’ en noemt hij Le Corbusiers maatsysteem hardnekkig de Modular in plaats van Modulor. En de fatale zwemtocht, waarin hij een verkapte zelfmoord ziet, laat hij twee dagen te vroeg plaatsvinden.

Cruiseschip

Anthony Flint, die eerder een boek schreef over de New Yorkse stadsplanner Robert Moses, blijkt een groot bewonderaar van Le Corbusier. Zo noemt hij de Villa Savoye uit 1930 ‘een cruiseschip zwevend in de lucht [...], schokkend in al zijn radicale schoonheid.’ Maar hij vermeldt ook dat de opdrachtgever Pierre Savoye zijn schitterende buitenhuis onbewoonbaar vond. Als het buiten regende, regende het binnen ook, schrijft hij. Verder werkte de verwarming niet, kwam er uit de stopcontacten zelden stroom en deugden de waterafvoeren evenmin.

Ook voor de megalomanie van Le Corbusier sluit Flint zijn ogen niet. Veel Le Corbusier-bewonderaars hebben de neiging om bijvoorbeeld zijn Plan Voisin uit 1925, dat voorzag in de rigoureuze sloop van het grootste deel van de Rive Droite van Parijs ten gunste van torenflats in een park, voor te stellen als een gedachtenexperiment. Maar Flint laat zien dat Le Corbusier midden jaren twintig druk in de weer was om projectontwikkelaars en industriëlen als Voisin te interesseren voor zijn vernieuwing van Parijs. Le Corbusier was doodserieus, schrijft hij: ‘Om Parijs te redden, moest hij het vernietigen.’

Ook over Le Corbusiers flirts met Europese totalitaire regimes uit het interbellum, is Flint duidelijk. Le Corbusier was een opportunist die met iedere dictator in zee ging van wie hij grote opdrachten verwachtte. Nadat Stalin hem als hofarchitect had afgewezen, bood de Frans-Zwitserse architect wiens echte naam Charles-Edouard Jeanneret is, vergeefs zijn diensten aan de Italiaanse fascistische dictator Mussolini aan.

Meer succes had hij toen nazi-Duitsland in de lente van 1940 Frankrijk onder de voet liep en voor de helft bezette. Hij sloot zijn bureau in Parijs en verhuisde naar Vichy, het kuuroord waar het collaborerende regime van maarschalk Pétain zich had gevestigd. Pétain benoemde hem tot de hoofdarchitect van Vichy Frankrijk. In deze hoedanigheid hoopte Le Corbusier een bijdrage te leveren aan de ‘kroon op Hitlers grootse werk: de vernieuwing van Europa’, schreef hij aan zijn moeder in Zwitserland.

Dat Le Corbusiers collaboratie hem in het naoorlogse Frankrijk niet in de problemen heeft gebracht, komt doordat hij al in 1943 terugging naar Parijs en zijn bureau heropende. Toen een jaar later de geallieerde invasie begon, zocht hij onmiddellijk contact met de Franse regering in ballingschap van generaal De Gaulle. De minister van wederopbouw, Raoul Dutry, bleek een liefhebber van zijn werk en zorgde ervoor dat hij na de oorlog verschillende unités d’ habitation – grote, ruw betonnen appartementengebouwen op poten – kon bouwen in Frankrijk.

Ook over Le Corbusier als mens is Flint ondanks zijn herhaaldelijk beleden bewondering voor zijn werk niet mild. Hij had last van driftaanvallen, en ontsloeg onderbetaalde medewerkers die in zijn ogen iets verkeerds hadden gedaan regelmatig op staande voet.

Pastis

Zijn huwelijk met het model Yvonne Gallis was ongelukkig. Hij bedroog haar zijn hele leven, onder anderen met de danseres/zangeres Josephine Baker met wie hij eens op een schip zat naar Argentinië. En hoewel Gallis zich thuis voelde op hun oude zolderverdieping vlak bij de Seine op de Rive Gauche, gaf Le Corbusier de voorkeur aan een door hemzelf ontworpen appartement aan de toenmalige rand van Parijs. ‘Het is een ziekenhuis, een snijzaal’, zei Gallis tegen de bevriende fotograaf Brassaï. ‘Ik zal er nooit aan wennen.’ De verhuizing naar de buitenwijk was een ‘strijd die Gallis moest verliezen’, schrijft Flint. Le Corbusier verbood haar om het nieuwe, Spartaanse appartement te decoreren. ‘Hij maakt me gek’, zei ze meermalen tegen vrienden. In de kale buitenwijk raakte de liefhebster van pastis aan de drank, hoewel Le Corbusier, als hij niet op reis was, altijd om half zes thuis kwam om gezellig met haar mee te borrelen. In de laatste jaren was Yvonne Gallis regelmatig zo dronken dat ze viel en botbreuken opliep. In 1957 overleed ze, lichamelijk een wrak.