Een buitenkantige familieroman met mensen die zich niet laten omarmen

De grootouders van Yäel Vinckx, van moederskant, hadden een matig gevoel voor timing. Ze waren altijd op plekken waar ze beter niet hadden kunnen zijn: in Arnhem toen daar op 17 september 1944 de Slag om Arnhem woedde. In Amsterdam toen de Hongerwinter uitbrak. En in 1949 in Batavia toen de situatie daar wel heel nijpend werd voor blanke Europeanen.

In haar vlot vertelde familieroman, De oorlog van mijn moeder, wijt Vinckx het vooral aan de oorlogsomstandigheden dat haar moeder Inge en grootmoeder Hubertina geen van beiden zorgeloos of erg zelfbewust waren. Omdat ze steeds weer moesten verhuizen, konden ze nergens hechte vriendschappen sluiten. Het gezin was vooral op zichzelf aangewezen. Maar moeder en dochter waren niet erg close. ‘Eigenlijk heeft het tussen Inge en Hubertina nooit goed gezeten.’

Vinckx voerde in 2013 naar eigen zeggen ‘lange, intieme gesprekken’ met haar moeder. Ze wilde nu wel eens ‘het hele verhaal’ horen en er zo achterkomen ‘hoe het echt was’ tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

Dat levert interessante feiten en anekdotes op. Inge was vier toen de oorlog uitbrak en dertien toen het gezin terugkeerde uit het inmiddels onafhankelijke Indonesië. Ze maakte veel mee: een bijna fatale granaataanval, de jarenlange krijgsgevangenschap van vader Carl, die marine-officier was, de felle onafhankelijkheidsstrijd van de ‘ploppers’ en de verstrekkende weigering van Carl om op 19 november 1949 de Indonesische vlag te hijsen op zijn marineschip.

En dan waren er nog de troebelen in het gezin zelf: een wat vermoeid huwelijk en veel meer aandacht voor zoon Carl jr. dan voor dochter Inge. De verongelijktheid daarover klinkt steeds opnieuw door. ‘Daar stond ze, in de regen en ijzige koude’, zo heet het als Inge in 1944 in haar eentje door Hubertina naar de – overigens zeer nabije – gaarkeuken wordt gestuurd.

Vinckx vertelt dat haar moeder vroeger een paar standaardverhalen had over de oorlog, waar de scherpe randjes vanaf waren. ‘Daarom doet zo’n verhaal nooit echt pijn.’ Dat geldt, vrees ik, ook voor deze familieroman als geheel. Hoe erg de oorlogsfeiten ook mogen zijn – er zit weinig angel in. Het boek voert van gebeurtenis naar gebeurtenis, soms aangevuld met historische gegevens, zonder dat het echt raakt. Het blijft buitenkantig, of het nu gaat over een bombardement, de soevereiniteitsoverdracht of over kamp Stanislau waar opa Carl gevangen zat. De hoofdpersonen, moeder Inge voorop, zijn fletse figuren van wie je te weinig hoogte krijgt om ze te kunnen of te willen omarmen. ‘Het hele verhaal’, dat Vinckx ons belooft, een spannende, meeslepende geschiedenis die boven zichzelf uitstijgt, heb ik tussen de ijverig verzamelde en keurig aan elkaar gelaste familieperikelen niet kunnen vinden.