Column

Drukke Rembrandt

‘Ga laat in de middag naar het Rijksmuseum”, had men mij geadviseerd, „dat scheelt een stuk in de drukte.” Wijze adviezen sla ik nooit in de wind, dus spoedde ik me enkele uren vóór de sluiting van die dag naar het Pijbesmuseum, zoals ik het museum voor het gemak ook weleens noem, omdat ik het meer associeer met zijn alomtegenwoordige directeur dan met een abstractie als ‘rijk’.

De rijen voor de kassa, de garderobe en de entree naar de zalen vielen inderdaad mee, maar toen ik de eerste zaal binnenstapte, kreeg ik de verrassende gewaarwording dat ik werd ondergedompeld in een overdrukke receptie waar ik niemand kende. Als die zelfportretten van Rembrandt er niet hadden gehangen, zou ik meteen de dranktafel hebben gezocht – altijd de beste reden om zo’n receptie te bezoeken.

Nu leerden de teksten aan de muur me dat ik wel degelijk aan het goede adres was: „Zijn huid is deegachtig en zijn karakteristieke, weerbarstige haar is minder springerig dan anders.” Alle oudere bezoekers zullen bij zo’n tekst voorzichtig aan hun gezicht voelen, per slot van rekening was Rembrandt 63 jaar toen hij zulke zelfportretten schilderde.

Toen ik uitgevoeld was, keek ik bezorgd om me heen: zou het zo druk blijven in de negen zalen van de Late Rembrandt?

Ik hoef de cultureel onderlegde NRC-lezer niet in spanning te houden, want die is natuurlijk allang naar deze tentoonstelling geweest: ja, het bleef zo druk. Hoe druk het was op de vroegere uren, weet ik niet, maar het kan nooit veel drukker zijn geweest.

Het duurt bij mij altijd even voor ik de juiste strategie heb gevonden om mijn koers in zo’n menigte te bepalen. Aansluiten bij de rij die de schilderijen in de juiste volgorde afwerkt? Dat betekent dat je geduld zult moeten hebben met die bezoekers die te gierig zijn om een catalogus te kopen en daarom fotograferend ieders zicht blokkeren. Zou directeur Wim van het Pijbesmuseum daar niets tegen kunnen doen?

Mijn methode is om de langste files zoveel mogelijk te vermijden en kriskras door zo’n zaaltje te trekken, van de ene stillere plek naar de andere, terwijl ik vanuit mijn ooghoeken in de gaten houd of de rijen voor de beroemdste schilderijen al wat uitgedund zijn. Dat betekent wel – ik waarschuw maar even - dat botsingen en bijna-botsingen met andere kunstminnaars onvermijdelijk zijn. Als het NRC-lezers zijn, is dat geen probleem; u zult merken hoe beschaafd die mensen zijn, vooral degenen met een volledig abonnement - zelden een onvertogen woord.

Ik bewoon een nogal lang lichaam en daarom kan ik altijd wel een of meer glimpen van het gebodene zien. In het geval van de Late Rembrandt zag ik vooral delen van schilderijen: meestal de zijkanten en het hoogste deel. De lagere delen moest ik vaak met mijn fantasie invullen, waar niets op tegen is, want het maakt dat je je stiekem óók een beetje Rembrandt gaat voelen.

Als ooit de Hele Rembrandt wordt tentoongesteld, lijkt het me verstandig alle schilderijen buiten in de fietsonderdoorgang van het Pijbes uit te stallen en de miljoenen bezoekers er in één eindeloos lange rij langs te voeren. Daarna mag iedereen met de directeur op de foto.