‘Directeur Bremer bleef binnen de afspraken’

De directeur van de Rekenkamer Rotterdam is kritisch over de rol van de gemeente bij het Wereldmuseum.

Avalokiteshvara, China, 18de eeuw, verguld brons, collectie Wereldmuseum foto Walter Herfst

Het rapport van de Rekenkamer Rotterdam over het Wereldmuseum werpt een andere blik op de problemen dan het vorige week verschenen rapport van Gitta Luiten. Ditmaal is het vizier niet gericht op museumdirecteur Stanley Bremer, maar vooral op het college van B en W. „Luiten keek vooral naar de museale taken van het museum. Zij woog die af tegen maatstaven van de museumsector”, zegt Rekenkamer-directeur Paul Hofstra. „Wij hebben gekeken of alle partijen de afspraken zijn nagekomen die bij de verzelfstandiging in 2006 zijn gemaakt. We hebben bijvoorbeeld gekeken naar de huurovereenkomst, de statuten, de overeenkomst over collectiebeheer, de subsidievoorwaarden, het sociaal plan en de governance.”

Waarom bent vooral kritisch over de rol van de gemeente?

„Vooropgesteld: alle partijen hebben wel ergens steken laten vallen. De rol van het college van B en W na de verzelfstandiging van het museum is vrij complex en omvangrijk. De gemeente heeft vier rollen: ze is subsidieverstrekker, verhuurder van de gebouwen, eigenaar van de collectie en metatoezichthouder. Waar het vooral fout ging, is bij het collectiebeheer en het metatoezicht. Dat begint al met de constatering dat bij de overgang van de hele collectie van de gemeentelijke dienst naar de stichting destijds niet duidelijk is aangegeven welke objecten er precies werden overgedragen. Dan begin je al niet goed.”

Wat had het college sinds de verzelfstandiging van het museum in 2006 nog moeten doen?

„Wat het collectiebeheer betreft had de gemeente de collectiebeleidsplannen formeel moeten goedkeuren. Dat is niet gebeurd. Het beheer van de collectie is ook niet om de paar jaar gecontroleerd. Dat had wel gemoeten, dat is de enige manier om zicht te houden op het collectiebeheer.”

Heeft de gemeente dit willens en wetens achterwege gelaten?

„Nee, men dacht dat het wel goed ging. Bij verzelfstandiging van overheidsdiensten zie je wel vaker dat zo’n dienst op afstand wordt gezet, wat centen meekrijgt en dat men denkt dat het dan wel allemaal goed zit. Maar er komt meer bij kijken. Neem het cultureel ondernemerschap. Het college heeft nooit ingevuld wat je daar precies onder verstaat. Op dit moment gaat de hele discussie daarover, of het Wereldmuseum niet te ver is doorgeschoten in dat ondernemerschap. Maar binnen de ruime afspraken die destijds zijn gemaakt, kon dat ook allemaal.”

Wat ging er nog meer mis?

„De gemeente heeft volstrekt onvoldoende invulling gegeven aan het metatoezicht. Het college benoemt de leden van de raad van toezicht en dient zich daar ook geregeld door te laten informeren over het functioneren van het museum en zijn directie. Doordat het college daar steken liet vallen, zijn zaken te laat gezien. Als dat wel goed was ingevuld, had het college eerder inzicht gekregen in mogelijke problemen rondom de collectie. En dan had de raad van toezicht niet zo lang in demissionaire status kunnen doormarcheren. Vanaf eind 2013 zijn feitelijk alle besluiten die de raad van toezicht heeft genomen onrechtmatig. Als je strikt kijkt, kan er nog wel eens een issue ontstaan, over bijvoorbeeld de goedkeuring van het jaarverslag. Maar zover hebben wij als Rekenkamer niet gekeken. Overigens hebben wij geconstateerd dat de raad van toezicht inhoudelijk wel zijn werk goed uitvoerde. Dat konden we traceren uit notulen en andere documenten. Alle issues die binnen het museum speelden zijn wel met de directie besproken. En er werd ook ingegrepen op momenten dat het nodig was.”

Waarom zijn de problemen niet eerder naar boven gekomen?

„Al die jaren waren er wel issues. Zo betaalde het Wereldmuseum een tijdje een deel van de huur niet, omdat de klimaatinstallatie niet goed zou zijn. Maar dat werd dan toch weer opgelost. Ook het ontzamelingsproces was aanvankelijk geen groot probleem. Dat viel allemaal binnen de kaders die de gemeente had aangegeven. Als Rekenkamer blijven wij bij de feiten: wat mocht nu wel en niet? Voor het ontzamelen is een procedure die het museum volgde. Maar het afstoten van museumstukken is een ingewikkeld vraagstuk binnen de museale wereld. Dat verklaart waarschijnlijk waarom het uiteindelijk uitgroeide tot zo’n groot probleem.”

U bent coulanter voor Bremer dan Luiten vorige week. Hoe kan dat?

„Je moet de rapporten niet tegenover elkaar zetten. Luiten heeft met name naar de museale functie gekeken en daarvoor ook een ander beoordelingskader gekozen. Zij heeft de prestaties van het museum afgemeten aan bijvoorbeeld de Leidraad afstoten museale objecten en de Ethische Code van de musea. Je moet haar rapport naast dat van ons zien. Wij zeggen: de directie is niet buiten de afspraken met de gemeente getreden.”

U vindt wel dat museumdirecteur Bremer „onhandig” heeft geopereerd door het collectiedepot aan de Metaalhof op te zeggen. Waarom?

„Daarmee heeft hij zich niet aan de procedure gehouden. Een onafhankelijke commissie moet oordelen of het opzeggen van de huur geoorloofd is omdat het museum te weinig subsidie krijgt om de exploitatie rond te krijgen. Dat was niet handig en op dat punt is hij ook teruggefloten.”

Is er grond om Bremer te ontslaan?

„Dat is aan de nieuwe raad van toezicht. Je moet beide rapportages naast elkaar leggen.”

Overleeft het Wereldmuseum?

„Het museum draait een verlies van 750.000 euro per jaar. Dat houd je maar een paar jaar vol. Als dit niet wordt opgelost, is het na 2016 afgelopen met het museum. Linksom of rechtsom. Dus als de gemeente wat met de collectie wil, moet daarover een besluit worden genomen. Het opzeggen van de huur van het depot was in dat licht begrijpelijk. Dat gaat om substantiële bedragen. We snappen de beweging van de directie daarnaartoe. Dat scheelt in de totale exploitatie. Achteraf gezien is een korting op de subsidie van 40 procent wel heel groot geweest.”